|
Algemeen
Inleiding
Wat is pesten
Wat is digitaal pesten
Vormen van cyberpesten
Profiel van de dader
Profiel van het slachtoffer
Gevolgen van cyberpesten
Wat maakt cyberpesten zo populair
Onderzoeksgegevens
Preventie
en begeleiding
Hoe als hulpverlener helpen
Beschermen tegen cyberpesten
Cyberpesten en school
Volwassenen
Cyberpesten op het werk
Cyberstalken
Leerkrachten cyberpesten
Educatief materiaal
Info over bestaand materiaal
Zelf ontwikkeld materiaal
Aanverwante onderwerpen
Andere internetgevaren
Gevaar van spelletjes
Links naar andere
websites
Nederlandstalig
Engelstalig
Divers
Contact
Zoeken op deze site
Discussieforum
Cyberpesten en media(blog)
Disclaimer & copyrights
© Gerard Gielen Hasselt |
Profiel van het slachtoffer
1.
Zijn pestslachtoffers anders dan gewone kinderen/jongeren
Vaak denkt men dat vooral zwakkere, weinig weerbare personen slachtoffer
zijn van pesten. Of dat het gaat om kinderen die anders zijn dan de rest
omdat ze bijvoorbeeld opvallen omdat ze dik zijn, rood haar hebben, niet
sportief zijn, acné hebben, te braaf zijn, enz. Soms worden mensen
gepest omdat ze juist uitblinken en daardoor jaloezie opwekken bij
minder fortuinlijke pestkoppen.
Sommige kinderen hebben wel meer kans om gepest te worden dan andere
kinderen. Dat kan met hun uiterlijk samenhangen, maar veel vaker heeft
het te maken met hun gedrag, hun gevoelens en de manier waarop ze zich
uiten. Bovendien worden kinderen pas gepest in situaties waarin pesters
de kans krijgen om een slachtoffer te pakken te nemen, dus in onveilige
situaties. Maar een slachtoffer kan daar niet altijd aan doen, dat hij
of zij opvalt. Anders zijn dan de doorsnee jongeren is vaak al
voldoende om slachtoffer te worden.
Kinderen die gepest worden doen vaak andere dingen dan de meeste
leeftijdgenoten in hun omgeving. Ze zijn lid van een actiegroep en niet
van een hobbyclub (of andersom). Ze spelen accordeon en geen viool (of
andersom). Ze zijn majorette en zitten niet op ballet (of andersom). Hun
ouders zijn gewoon getrouwd en niet gescheiden (of andersom). Ze zijn
goed in rekenen of juist niet. Aanleidingen genoeg om door anderen
gepest te worden als die andere kinderen daar de kans voor krijgen.
Wie van zich afbijt wordt niet gepest, wordt wel eens beweerd. Het klopt
(Deboutte & Schelstraete,2000) dat pestkoppen eerder een slachtoffer
kiezen dat niet uitdrukkelijk opkomt voor zichzelf. Een kind dat
reageert de eerste keer dat het een duw krijgt, als zijn stift wordt
afgenomen, of als het met vervelend gedrag wordt geconfronteerd, kan dit
gedrag doen ophouden. Maar het ene kind stelt zijn grenzen duidelijker
dan de andere. Om volledig begrepen te worden, moeten onze lichaamstaal
en de dingen die we zeggen allemaal overeenstemmen met wat we denken.
Zelfs volwassenen hebben daar soms moeite mee. Ook heel mondige kinderen
kunnen trouwens het slachtoffer worden van pesten. Dat een kind geen zin
heeft om brutaal te zijn of anderen pijn te doen, kan natuurlijk nooit
een excuus zijn om het te pesten. Als kinderen eenmaal worden gepest,
weten ze meestal niet hoe ze moeten reageren. Als ze wel van zich
afbijten, krijgen ze vaak het deksel op de neus. De pesterijen worden er
meestal erger door. Het lijkt dan soms dat het gepeste kind begonnen is
met agressief en lastig gedrag en niet zijn belagers. Zondebokken staan
immers bijna altijd alleen.
Veel kinderen die worden gepest hebben moeite om zichzelf te verdedigen.
Ze voelen zich machteloos tegenover de pestkoppen. Vaak zijn ze angstig
en onzeker in een groep, ze durven niks te zeggen omdat ze bang zijn om
uitgelachen te worden. Deze angst en onzekerheid worden versterkt door
het pesten. Pesters hebben snel in de gaten welke kinderen gemakkelijk
te pesten zijn, bijvoorbeeld omdat ze snel beginnen huilen..
Wat opvalt is het onzekere gedrag van gepeste kinderen. Ze vermijden
alle situaties waarin ze zich met andere kinderen moeten meten zoals
testen of wedstrijden. Ze leven zich nooit eens uit. Meestal vermijden
ze anderen recht in de ogen te kijken en gedragen zich onderdanig en
schichtig.
Gepeste kinderen voelen zich vaak eenzaam, hebben minder vrienden om op
straat te spelen, geen vast vriendengroepje in de klas. Soms kunnen ze
beter met volwassenen opschieten dan met leeftijdgenoten. Jongens die
worden gepest horen meestal niet tot de sterksten van de groep. Ze zijn
vaak onhandig in spel en sport.
Dat kinderen die op één of andere manier opvallen, meer kans lopen om
gepest te worden, betekent niet dat ze ook zullen worden gepest. Als een
kind wordt geplaagd met zijn rode haar of omdat het te dik is, en het
begint te huilen of wordt kwaad, dan weten pestkoppen dat ze een
geschikt slachtoffer hebben gevonden en zullen ze het zeker nog doen.
Het uiterlijk is dus meer een aanleiding om het eens te proberen dan de
reden voor het pesten. Wie bij plagerijen door de mand valt, riskeert
pesterijen in de toekomst.
Kortom het gaat vaak om een fysiek zwakker en onzekerder individu, dat
zich vaak bang en eenzaam voelt, weinig vrienden heeft om op terug te
vallen. De persoon staat afkerig tegenover geweld en weet niet goed hoe
om te gaan met conflicten zowel verbale als fysieke en durft niet voor
zich opkomen. Vaak gaat het om personen die niet adequaat reageerden op
beginnend pestgedrag. Ze reageerden niet of juist overdreven erop,
proberen zich weg te stoppen of gaan meteen klikken wat door andere
kinderen meestal niet wordt gewaardeerd.
Er is ook
een ander soort slachtoffer, dat net heel rusteloos is. Dat jaagt de
anderen tegen zich in het harnas doordat het zich niet aan de regels
houdt en voortdurend ruzie maakt of bekvecht. Soms reageert het
provocerend of agressief op pesterijen. Dit ‘uitlokgedrag’ is dikwijls
het gevolg van eerdere pesterijen of van een ander probleem waar het
kind geen schuld aan heeft.
Eerder een zondebok geweest zijn speelt ook vaak een rol. Iemand die een
pestverleden heeft, zelfs van een andere school, uit een ander milieu
(sportclub, …) wordt gemakkelijker sneller gepest. Het is a.h.w. of de
pester ruikt of voelt dat het gewillig slachtoffer is.
Een zondebok verraadt zich door zijn/haar lichaamstaal. Hij trekt zich
makkelijker terug in zichzelf, begint sneller te wenen of te blozen.
Anonieme kinderen die om een of andere reden niet opvallen in een klas
zijn ook een makkelijker slachtoffer. Ze zijn verlegen, weten geen
contact te maken met andere kinderen, of zijn bang voor andere kinderen.
Deze kinderen vallen nauwelijks op in de klas. Zij zullen dan ook niet
aangeven dat zij worden gepest. Als het wordt ontdekt, blijkt er al een
vast pestpatroon te zijn ontstaan.
Ook de
leerkracht kan door zijn gedrag onvrijwillig bijdragen tot pesten. Op
zichzelf is apart zijn geen reden tot pesten. Maar als de leerkracht
door te plagen, grapjes te maken, of juist boos zijn of straffen
voortdurend reageert op het vreemde gedrag, is het mogelijk dat een
alibi wordt verschaft aan de kinderen, die vol frustraties zitten en die
iemand zoeken waarbij zij hun frustraties kunnen afreageren.
Daarnaast zijn het vaak kinderen die zich niet serieus genomen voelen,
weinig controle hebben op hun leven en met "zijnsvragen" worstelen
zoals: ben ik wel een goed kind van mijn ouders, ben ik een goede vriend
of vriendin, ben ik te vertrouwen, e.d. Het zijn kinderen die mijmeren
over de vraag of ze gemist zouden worden: is het wel goed dat ik er ben
op deze wereld?
Goed leren of met de hakken over de sloot, stotteren of met een accent
spreken, rood haar of kaal, op zich zijn dit echter allemaal geen
redenen om tot pestslachtoffer uitverkoren te worden. Het gaat om het
feit dat anderen in de groep geen respect kunnen opbrengen voor de
gepeste als persoon.
Het gaat dus om de groepsnorm die erin bestaat dat mensen kiezen voor
negatieve handelingen en gedrag tegenover een individu om er eigen
frustraties op uit te werken (Emmerechts, 1999)
Specifieke oorzaken voor gepest worden zijn dus vaak moeilijk te geven.
Hoe een kind zich ook gedraagt, vaak heeft niet bewust voor dat gedrag
gekozen, net zoals een kind niet kiest voor scheve tanden, arme ouders,
een andere godsdienst dan de rest van de klas. Het ‘verdient’ dan ook
niet om gepest te worden. (Deboutte &Schelstraete)
2. Gepeste kinderen komen meer weerbaar uit de strijd ?
Gepest kind is vaak juist het beste af’ kopte de Telegraaf (28 oktober
2004). Gepeste kinderen ontwikkelen namelijk vaak strategieën om
zichzelf op te waarderen in de ogen van anderen: in een goed blaadje
komen bij de leerkracht, goede cijfers halen, of een hechte vriendschap
aanknopen met één bepaald persoon. Dit is een van de uitkomsten van een
langlopend onderzoek onder jongeren van 7 tot 24 jaar dat door de
Rijksuniversiteit Groningen en het Academisch Ziekenhuis van Groningen
werd uitgevoerd.
In het
Groningse onderzoek genaamd TRAILS (TRacking Adolescents' Individual
Lives Survey) worden sinds enkele jaren ruim 2800 jongeren uit
Noord-Nederland gevolgd vanaf groep zeven van de basisschool tot ze 24
jaar oud zijn. Onderzocht wordt waarom sommige kinderen zonder
noemenswaardige problemen de puberteit doorkomen, terwijl anderen juist
probleemgedrag of psychische klachten ontwikkelen. Bij het profiel van
de pestkoppen gaven we reeds aan dat pesters niet altijd meer geliefd
zijn in de klas. Volgens René Veenstra, socioloog en verbonden aan het
onderzoek, toont het nieuwe onderzoek aan dat kinderen die pesten
opvallen in de klas. Hun klasgenoten kunnen dat benoemen als ‘populair',
maar dit bekent beslist niet dat de pestkoppen dan ook geliefd zijn. “De
manier waarop je kinderen vraagt wie populair is, blijkt essentieel voor
het onderzoeksresultaat”, aldus Veenstra. Ook blijkt uit de resultaten
dat pesters het niet beter doen dan degenen die gepest worden,
integendeel zelfs. Veenstra: “Behalve notoire pesters en hun
slachtoffers heb je in iedere groep ook kinderen die zowel dader als
slachtoffer zijn. En juist die kinderen zijn het slechtst af. Ze hebben
een lastiger karakter en presteren minder goed op school”.
De
kinderen die gepest worden zijn daarentegen vaak beter in staat nieuwe
strategieën te ontwikkelen waarmee ze zich beter door het leven kunnen
slaan. Om hun zelfwaardering weer omhoog te halen kloppen ze aan bij een
docent of vriend, of ze zorgen ervoor dat ze uitblinken in een bepaald
vak.
Het zijn
dus niet degenen die gepest worden, maar de pesters zelf die meer risico
lopen op een problematische jeugd, zo concluderen de Groningse
onderzoekers. "Als je weinig vaardig bent in het bedenken van
strategieën om situaties te verbeteren, als je qua temperament nogal
onbeheerst bent en snel gefrustreerd, als de omgeving niet meezit, dan
krijg je een opstapeling van kwetsbaarheden. Dat kan zich uiten in
allerlei emotionele of gedragsproblemen. Bij meisjes uit zich dat vaak
in depressiviteit, bij jongens in probleemgedrag", aldus de
onderzoekers.
Veenstra geeft aan dat er grofweg twee soorten slachtoffers zijn. De
ene, het 'typische' slachtoffer, gaat eraan kapot en worden gekwetste en
wantrouwige volwassenen, wat niet zelden nefaste gevolgen heeft op zowat
ieder domein van iemands leven. Er zijn evenwel ook kinderen, zo merkten
de onderzoekers, die gepest worden, maar die er onbewust voor zorgen dat
ze op andere vlakken sterk staan. Veenstra: "Ik zeg niet dat gepest
worden je sterker maakt, maar in sommige gevallen zien we dat gepeste
kinderen beter presteren op school, een extra goede band met de
leerkracht opbouwen of een heel goede vriend of vriendin zoeken en die
vriendschap erg goed onderhouden. Dat kind zal nog lijden onder de
pesterijen, maar uiteindelijk zal het er op sociaal vlak beter aan toe
zijn dan veel van de pestkoppen die geen goede vriendschappen, geen
goede schoolresultaten en zeker geen goede band met de leerkrachten
hebben."
Journaliste Debusschere van De Morgen interviewde Kaat Raes, juriste bij
de Sasam, de Stichting Anti Stalking Anti Mobbing. Deze reageerde dat de
genoemde bevindingen perfect passen in de kennis over daders en
slachtoffers. Raes: "Het klopt dat daders zeer vaak een problematische
achtergrond hebben. Ze voelen zich vervreemd en hebben een zeer
gebrekkige interactie met de buitenwereld." Dat slachtoffertjes van
pesterijen soms op andere vlakken sterker staan, noemt Raes eveneens
'typisch'. Raes: "Dat is een vorm van controle terugwinnen. 'Jij kunt
mij wel pesten, maar ik kan betere punten halen.' Ieder trauma draait
rond controleverlies en zeer veel slachtoffers proberen die controle
terug te winnen, maar dat is niet per se positief. Sommige vrouwelijke
incestslachtoffers leiden later soms een losbandig liefdesleven en
storten zich in relaties waarin ze opnieuw slachtoffer worden. Op die
manier negeren ze de machteloosheid uit hun jeugd: 'Dit is iets waar ik
voor kíes'. Die manier om controle terug te winnen is pseudotherapie en
zeer destructief. Zo'n slachtoffer lijdt nog. Gepeste kinderen die goede
punten halen, een goede vriend hebben en goed bij de leerkracht staan,
lijken misschien sterk, maar misschien klampen ze zich angstvallig vast
aan die dingen zonder dat ze zich echt gesterkt en minder angstig
voelen. (De Morgen, 03/11/2004)
Ook Drs. Bob van der Meer (Bron : http://www.pesten.net ) twijfelt eraan
of kinderen overlevingsstrategieën ontwikkelen en daardoor beter af
zijn, zoals in het vorige onderzoek gemeld wordt. Hij vindt dat met dit
soort uitspraken pesten gerechtvaardigd wordt. "Alsof het minder erg is
omdat je er eigenlijk van leert. Je kunt het vergelijken met seksuele
mishandeling. Dat is toch ook niet gerechtvaardigd omdat je er van leert
hoe je jezelf moet verdedigen?" In groepen en klassen kun je grofweg een
indeling maken, zegt Van der Meer. "Er zijn vier tot vijf populaire
kinderen. Zij zijn hoog geaccepteerd en laag verworpen door hun
klasgenoten. In elke klas zijn er daarnaast een tot twee controversiële
kinderen. Zij zijn hoog geaccepteerd (door de meelopers) en hoog
verworpen (door de rest van de klas).
Deze groep
vertegenwoordigt waarschijnlijk de pester(s). Verder is er altijd sprake
van zestien tot zeventien, in mate van geliefdheid, gemiddelde kinderen.
Daarnaast zijn er drie genegeerde kinderen. Zij zijn laag geaccepteerd
en laag verworpen. En tot slot zijn er altijd vier tot vijf verworpen
kinderen. Zij zijn laag geaccepteerd en hoog verworpen. Deze laatste
groep bestaat uit risicoleerlingen. Ze zijn in hoge mate depressief en
vertonen daarnaast nog allerlei andere uitvalverschijnselen. Dit zijn
kinderen die, als er sprake is van pesten, voortdurend gepest worden,
waarop zij twee mogelijke reacties gaan vertonen. Ze worden passief, het
grootste aantal, of provocerend. Een provocerende zondebok is vaak
angstig, agressief en irriteert anderen: leerkrachten en klasgenoten.
Beide gedragingen zijn reacties op voortdurend gepest worden of gepest
zijn. Deze kinderen zijn derhalve het slechtst af."
3.Pesten en cyberpesten
Jongeren die in het echte leven gepest worden, lopen een groter risico
om ook slachtoffer te worden van online pesten. Eén op de vijf jongeren
van 11 tot 15 jaar is minstens een keer per maand slachtoffer van online
pesten. Pesten in het echte leven komt echter vaker voor. Eén op de drie
tot vier jongeren maakt dit maandelijks mee. In het echt gepest worden
blijkt ook meer nadelige gevolgen te hebben dan gepest worden op
internet. Maar online pesten kan de schadelijke gevolgen van pesten in
het echte leven echter versterken. Jongeren die zowel in het echt als
online gepest worden zijn somberder, eenzamer en hebben een negatiever
zelfbeeld dan jongeren die alleen online of alleen in het echt gepest
worden. Dit bleek uit de resultaten van de eerste meting van het
monitoronderzoek 'Internet en Jongeren' van het IVO. Het onderzoek is
uitgevoerd onder 4500 leerlingen van groep 7 en 8 van het basisonderwijs
en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs. De resultaten zijn volgens
de onderzoekers representatief voor Nederlandse leeftijdgenoten.
Jongeren die in het echte leven gepest worden, lopen een groter risico
om ook slachtoffer te worden van online pesten. Het hebben van online
contacten met jongeren die men alleen via internet kent, en intensief
gebruik van profielsites, Habbo Hotel en MSN-messenger verhogen de kans
op digitale pesterijen. Jongeren die zelf online pesten, worden zelf ook
vaker slachtoffer van pesterijen op internet.
Jongeren die in het echt gepest worden, internetten meer uren per week
dan jongeren die niet in het echt gepest worden, te weten 18 en 10 uren
per week. Ze lijken internet onder andere te gebruiken om met negatieve
ervaringen in het echte leven om te gaan.
(Bron: www.telegraaf.nl
15/06/2006)
4. Meelopers & toekijkers
De meeste kinderen zijn niet direct betrokken bij pesten. Sommigen
kijken alleen toe, anderen doen af en toe mee. Dit zijn de meelopers. Er
zijn kinderen die niet merken dat er gepest wordt of ze willen het niet
weten. Doordat meelopers mee pesten met een groep voelen ze zich niet zo
erg verantwoordelijk voor de gevolgen voor degene die gepest wordt.
Hoewel deze kinderen geen actieve rol spelen bij het pesten, zijn zij
medebepalend voor het voortduren van het pesten. De pestende kinderen
voelen zich gesterkt door de instemming van de toeschouwers. Doordat zij
de gepeste kinderen niet steunen of de pester stoppen, kunnen de pesters
vrijelijk hun gang gaan. Vaak versterken zij het succes van de pestende
kinderen door op een afstandje toe te kijken en te lachen Als andere
kinderen het gepeste kind te hulp komen of tegen de pester zeggen dat
hij moet ophouden, verandert de situatie aanzienlijk. Het pesten wordt
dan minder vanzelfsprekend. Het helpt als kinderen die minder betrokken
zijn bij het pesten zelf, de leerkracht inlichten. Meelopers zijn vaak
bang om zelf slachtoffer te worden van pesten. Als ze het zouden opnemen
voor het slachtoffer, lopen ze de kans zelf gepest te worden. En iedere
dag zien ze hoe erg dat is. Om er zeker van te zijn dat zij zelf niet
het slachtoffer worden doen ze mee met de rest van de groep. Vaak voelen
zij zich diep van binnen schuldig tegenover de gepeste. Ze zouden wel
iets willen doen maar denken dat ze de enige zijn die er zo over denken
en durven er daarom niks van te zeggen. Het kan zijn dat de meelopers
stoer gedrag interessant vinden en denken daardoor populair in een groep
te worden. Deze kinderen hebben bewondering voor de pesters en zouden
willen dat ze zelf initiatieven durfden te nemen bij het pesten.
Vele houden zich het liefst afzijdig als er wordt gepest. Ze voelen zich
wel schuldig dat ze niet in de bres springen voor het slachtoffer of een
volwassene te hulp roepen maar willen zich meestal niet moeien. Er zijn
ook kinderen die absoluut niet in de gaten hebben dat er gepest wordt.
Ze zien misschien wel iets gebeuren, maar kunnen de ernst van de
situatie niet inschatten.
Pesten is een groot probleem voor kinderen, vooral voor de kinderen die
zelf worden gepest. Toch beginnen veel kinderen er thuis niet over.
Een kind dat wordt gepest, schaamt zich daar vaak voor. Het wil zijn
ouders niet teleurstellen. Een gepest kind is geen populair kind en dat
hadden haar/zijn vader en moeder wél graag gewild. Dat voelt een kind
haarscherp aan. Het kan ook zijn dat een kind thuis niets zegt omdat het
pestprobleem onoplosbaar lijkt. Het is misschien bang dat het probleem
juist groter wordt. Stel je voor: je vader of moeder zou weleens contact
op kunnen nemen met de ouders van de pestkop of met de leerkracht op
school! Misschien brengt de leerkracht in de klas het probleem ter
sprake, dan weten de klasgenoten dat er 'geklikt' is. De pesterijen
worden dan misschien juist erger.
Ook kinderen die zelf pesten zullen thuis niet gemakkelijk over het
pesten praten. Zij kunnen er alleen over beginnen als ze zich bewust
zijn van hun gedrag en van de ernstige gevolgen daarvan.
Pesters weten vaak zelf niet waarom ze iemand pesten. Ook dringt het
niet tot ze door hoe erg hun gepest voor het slachtoffer is: 'ze lokte
het toch zelf uit, wie loopt er nou nog met zo'n stomme schooltas?' is
hun redenering. Daarnaast willen veel pestende kinderen de machtspositie
die ze door het pesten verkrijgen, niet verliezen.
Het risico bij het opstellen van profielen van slachtoffers is dat men
vergeet dat het pesten ook ingebed is in een sociale omgeving. De
structuur van de organisatie, de waarden en normen die in een groep
leven, zelfs gewoon bepaalde feiten die toevallig voorgevallen zijn (een
leerkracht berispt een leerling die het niet is geweest, en is
vriendelijk tegen een ander kind), het omgangsbeleid dat bestaat zijn
allemaal factoren die het pesten vergemakkelijken en dan kan iedereen
slachtoffer worden.
5. Pesten van
kinderen met een handicap ?
Pesten, iedereen
heeft er wel eens op een of andere manier mee te maken gehad; op school,
op straat op de (sport)vereniging of op het werk. Uit onderzoek is
gebleken dat kinderen met een handicap of chronische ziekte een tot 5x
grotere kans hebben om gepest te worden. De organidatie Stinafo is een
groep die kinderen met een handicap begeleidt en al langer met de
problematiek van het pesten van kinderen met een handicap bezig is.
In de afgelopen vijf jaar hebben diverse scholen in zowel het basis- als
voortgezet onderwijs gebruik gemaakt van een voorlichtingspakket door
Stinafo ontworpen. Het materiaal is ontworpen met behulp van
gehandicapte kinderen zelf en bedoeld voor zowel gehandicapte als niet
gehandicapte kinderen.
Het pakket bestaat uit een videopresentatie, een handleiding voor
leraren en begeleiders en een pest schriftje ter ondersteuning van
klassikale oefeningen. (Het pakket is verkrijgbaar bij Duo
Marketresearch, 030 – 2155188)
Stinafo blijft zich ervoor inzetten het onderwerp de aandacht te brengen
en gehandicapte kinderen te leren zich te weren in de soms vervelende
situaties waarin ze terecht kunnen komen. En niet zonder succes. Lees
hier het verhaal van Marit Bron. (
www.pestweb.nl 15/01/2005)
Training veranderde “Stombo” Marit Bron (14) in stoere “rolstoel babe”:
“Wie mij nu pest of mijn mobieltje pikt heeft een probleem!” (
http://www.stinafo.nl/nieuws_pesten_art1.html )
"Als gehandicapte jongere wil je zo ontzettend graag “gewoon” zijn, net
als andere kinderen. Maar je bent dubbel de dupe: Je kampt met een
lichaam dat niet meewil en dan word je ook nog eens mega gepest. Ze
gooien je rolstoel achterover en laten je hulpeloos liggen. Of ze maken
je uit voor “Stombo”, aap, baby, waggeleend of driepoot. Het komt zelfs
voor dat ze je treiterig vragen: “Waarom leef jij eigenlijk?”
Marit Bron (14), geboren met spina bifida (open ruggetje), straalt - na
veel stil verdriet op diverse scholen - als nooit tevoren. “Skoalle
Lyndensteyn” verraste haar dit jaar met een geschenk, nog mooier dan
haar mooiste kerstcadeau: een unieke weerbaarheidstraining, die Marit
van onzekere rolstoeltiener in een echte “power babe” heeft veranderd!
Nationaal Fonds “Het Gehandicapte Kind” (Stinafo) hoopt in 2005 alle
gehandicapte kinderen zo weerbaar te maken als Marit nu is. Een mooi
voornemen…
Wij sloten onze training af met een prachtstunt in bijzijn van de
ouders. Er lagen houten karateplankjes klaar. En die moesten in één klap
doormidden. Alle kinderen slaagden bij deze demonstratie. Je had Marit’s
glunderende gezicht eens moeten zien. Vervolgens mochten de vaders en
moeders het proberen. Nu, dat ging mooi mis. Bang om te falen sloegen ze
fout en hielden er een zere hand aan over!”
Niet zonder trots
verhaalt Baukje Abma, directeur van “Skoalle Lyndensteyn” in het Friese
Beesterzwaag, over de speciale weerbaarheidstraining voor gehandicapte
kinderen, die sinds kort deel uitmaakt van het onderwijspakket van haar
school. Lyndensteyn vangt gehandicapte kinderen op, die, om wat voor
reden ook, tijdelijk of permanent niet kunnen meekomen in het reguliere
onderwijs. Daarnaast heeft Lyndensteyn ambulante begeleiders, die de
kinderen thuis helpen met huiswerk of psychologische steun, zodat ze
gewoon op de eigen school kunnen blijven.
Baukje: “Wij zijn
groot voorstander van integratie: zoveel mogelijk gehandicapte kinderen
op de normale school. Dat willen ze zelf ook ’t liefst; één zijn met “de
gewone kinderen”. Maar helaas zitten veel gehandicapte jongeren
barstensvol onzekerheden. Ze schamen zich soms voor hun handicap en zijn
dan ook meteen het mikpunt van de notoire pestkoppen, die je op iedere
school hebt en die - in eerste instantie - vaak geen spoortje mededogen
kennen. Het viel ons de afgelopen jaren steeds meer op, dat veel van
onze leerlingen juist vanwege dat pesten op de gewone school stukliepen.
Een van onze bewegingsleerdocenten kwam na het volgen van een cursus
“Omgaan met pesten” op het idee elementen daarvan te gebruiken voor het
ontwikkelen van een geheel nieuwe training, speciaal toegespitst op
gehandicapte kinderen. En die training werkt fantastisch. Er komen nu
ook gehandicapte kinderen naar ons toe, die hier niet op school zitten.
Alleen om aan de weerbaarheidstraining deel te nemen. En het werkt, het
werkt echt. Ze gaan stukken sterker terug naar huis.”
Op de speelplaats
van Skoalle Lyndensteyn treffen we Marit en haar hartsvriendinnen.
Marit: “Ik zit hier op school vanwege de stress. Ik heb nare dingen
meegemaakt. Vroeger had ik een stoma, die regelmatig lekte en dan
scholden ze me voor baby uit. Of ze trokken me aan mijn haren, pakten
mijn rolstoel en dan gingen ze met me scheuren over het plein, totdat de
rolstoel achteroverkieperde en ik op de grond rolde. Dan was de lol er
weer vanaf, liepen ze weg en lieten me gewoon liggen. Ik zat eerst op
een school met meer dan duizend leerlingen, zo’n fabriek. Veel drukte,
herrie, harde geluiden, dat vind ik eng. Bij ruzies, bijvoorbeeld, of
als er een stoel omvalt. Door mijn handicap ben ik daar extra gevoelig
voor. Dus is besloten mij op een speciale school te plaatsen, met
allemaal ADHD-kinderen. Daar was alles rustig, maar wel super streng,
een soort strafkamp. Wat moest ik daar nou? En toen kwam Skoalle
Lyndensteyn Ik heb ’t erg naar mijn zin, alhoewel ik in ’t begin ook
hier behoorlijk werd gepest. Nota bene door Aleida en Femke, nu mijn
beste vriendinnen. Ik was stil en vond alles akelig en nieuw, liep ook
met alle lessen een beetje achter. Aleida en Femke maakten me uit voor
Stombo en zaten me de hele tijd te treiteren en te klieren.”
Femke: “We mochten
Marit niet. Ze zonderde zich altijd af, deed vreemd, niet aardig.
Vandaar dat we heel naar tegen haar gingen doen. De hele klas was
eigenlijk tegen Marit. Aleide en ik deden flink mee met de pesterijen.
Raar eigenlijk, ik schold Marit uit, terwijl ik vroeger zelf zoveel heb
gehuild, omdat ik ook werd nagejouwd en uitgelachen. Ik heb een ziekte
aan mijn heup, het kraakbeen zit er niet meer in. Dat is vastgegroeid.
Gebeurde zo maar, toen ik twaalf was. Ik sleepte met mijn voet en liep
scheef. Ze riepen me na: “Je lijkt wel een aap!” Ook maakten ze me uit
voor paard, manke of driepoot.”
Aleida: “Ik heb er ook spijt van, dat ik zo rot deed tegen Marit. Ik heb
’t zelf net zo moeilijk gehad op de gewone school. De linkerkant van
mijn lichaam functioneert al vanaf mijn geboorte niet goed. Als kind had
ik altijd spalken om, omdat ik slecht kon lopen. Ze maakten mij uit voor
waggeleend of mankpoot. Echt niet fijn, als je er zelf al zo van baalt.
Ik zat in Groep 1 van de basisschool samen met mijn tweelingzusje in de
klas. Zij is ook gehandicapt en verstandelijk een stuk zwakker dan ik.
Zij kon de normale
school helemaal niet aan. Vandaar dat ze al meteen na dat eerste jaar
hier op Lyndensteyn terechtkwam. Ik heb nog tot Groep 5 op de
basisschool gezeten. Dat vijfde jaar moest ik overdoen, vanwege een
flink opgelopen leerachterstand. Het wou gewoon niet. Ik kon niet
opletten, voelde me ook eenzaam, verdrietig en minder waard dan die
andere kinderen. Dat kwam ook doordat mijn ouders mij hadden afgestoten,
ze konden mijn handicap niet aan. Ik ben een pleegkind. Als je hoort dat
andere jongeren soms tegen gehandicapte kinderen dingen durven zeggen
als “waarom leef jij eigenlijk?”, zeg ik: Ik vraag me inderdaad al heel
lang af waarom ik eigenlijk leef… De andere kinderen voelden het heel
goed aan, dat ik mij minder voelde. Ze moesten mij altijd hebben,
knikkers afpakken, me expres laten struikelen bij het springtouwen, ik
durfde nooit boos te worden. Het gekke was ook, dat ik allemaal rare
dingen begon te verzinnen om aandacht te krijgen. Zo heb ik op school
verteld dat mijn zusje blind was, een heel zielig verhaal, compleet uit
mijn duim gezogen. Een van de meisjes uit mijn klas had dat thuis
verteld en haar ouders stuurden een kaartje naar mijn pleegouders, met
een sterktewens voor mijn blinde zusje. Zo liep alles in de soep,
iedereen kwaad op mij en toen werd ik nog erger gepest. Uiteindelijk ben
ik hier op Lyndensteyn geplaatst, om bij te scholen totdat ik naar het
gewone vmbo kan. Dat liegen om aandacht schijnt trouwens meer voor te
komen bij kinderen, die zich erg alleen en minderwaardig voelen.”
Marit: “Soms denk
je wel eens: Waarom ik? Waarom ben ik gehandicapt en al die andere
kinderen niet? Op het Indonesische eiland Bali geloven de Hindoes dat
mensen met een handicap in hun vorige leven iets hebben misdaan. Al heb
je maar een moedervlekje, dan ben je al fout geweest. Dus waarschijnlijk
heb ik iets heel ergs gedaan, een moord gepleegd of zo.”
Femke: “Minstens…”
Marit: “Maar goed, nu is ’t afgelopen met die
minderwaardigheidsgevoelens. En als ’t moet durven we best boos te
worden. Op de weerbaarheidstraining hebben wij veel geleerd. De cursus
begon met gesprekken, praten over wat je moeilijk vindt, wat je pijn
doet. We moesten dat ook opschrijven. Daarna gingen we rolspellen doen,
waarbij we voor onszelf moesten opkomen, dat was best wel eng. Dan
gingen de andere kinderen in een groep staan en deden ze alsof ze niets
van jou moesten hebben. En dan moest je daarop af. Je mocht niet
accepteren dat ze je niet toelieten in hun groepje Je moest eerst
luisteren over welk onderwerp ze aan het praten waren en dan gewoon
brutaal inspringen en meepraten. Dat was basistruc één om geaccepteerd
te worden. Werd er gezegd: “Rot op jij!”, dan moest je basistruc twee
gebruiken; heel direct vragen: “En hoezo mag ik er niet bij? Wat is hier
mis?”. Als dat niet werkte, mocht je je niet terugtrekken. Je moest
gewoon doorzetten met basistruc drie; iemand van het groepje
individualiseren door hem of haar aan te tikken en recht op de man af te
vragen: “En wat heb jij tegen mij?” Dat zijn allemaal trucs, die er
normaal gesproken toe leiden dat de pestkoppen hun schouders ophalen en
je er dan toch maar bij laten.
Verder is ook heel
belangrijk nooit “ja” te zeggen als je “nee” bedoelt en wanneer je
ergens nieuw komt meteen voor heel de klas duidelijk uit te leggen wat
er precies met jou mis is. Tijdens een spreekbeurt of zo. In plaats van
je mond te houden en je problemen te verbergen. Tien tegen één dat je
dan van veel leerlingen begrip krijgt en ze juist in je geïnteresseerd
raken. En als ze echt gaan klieren, dan mag je gerust af en toe even
flink uitspatten, even helemaal flippen van boosheid, dan schrikken ze
ook vaak terug.” Aleida: “Omdat ik het eigenlijk helemaal niet leuk vond
dat ik Marit telkens pijn deed met hele gemene scheldwoorden en omdat
Marit het ook niet leuk vond naar mij terug te schelden, hadden wij al
voordat we die weerbaarheidscursus gingen volgen besloten een keer met
elkaar te praten, om te kijken of er dingen waren die we allebei leuk
vonden, zoals sporten en zo. Het ging niet meteen erg gemakkelijk, maar
opeens beseften we dat we helemaal geen hekel aan elkaar hadden.
Toen hebben we maar
eens bij ieder thuis afgesproken en dat gebeurde steeds vaker. Zo zijn
we langzaam maar zeker beste vriendinnen geworden. Ik heb ontdekt dat
zij eigenlijk helemaal niet zo’n tuttebel of in zichzelf gekeerd type
is, maar dat je juist vreselijk met haar kunt lachen. Ze was gewoon bang
onderdrukt te worden en trok zich daarom een beetje terug of ze beet
juist narrig van zich af als je haar uitdaagde. Wat ik van mezelf het
idiootste vind is dat ik Marit ooit voor “Stombo” heb uitgemaakt. Want
kijk eens goed naar haar, stom is ze helemaal niet!” Marit: “Ach, ik
reageerde ook fout op hun gepest. Ik had gewoon met ze moeten praten. Op
ze afstappen, vriendelijk blijven, maar wel duidelijk stellen: Ik vind
dit niet leuk, kunnen we niet wat gezelliger met elkaar omgaan? Vaak is
pesten gewoon een test om te kijken hoe iemand in elkaar zit. Reageer je
goed, dan pesten ze je niet meer.”
Aleida: “Marit is
nu mijn privé psychologe, ik kan met al mijn problemen bij haar terecht.
Voel ik me nu down, dan kan ik met haar bellen. Fleurt ze me weer
helemaal op. Had ik echt nooit gedacht. Laatst had de schoolleiding
besloten dat Marit best naar het gewone vmbo kon. Ze moest hier weg en
toen hebben we met z’n tweeën vreselijk zitten huilen, omdat we uit
elkaar werden gehaald. Maar gelukkig, nou ja… niet echt gelukkig…, bleek
dat Marit er toen nog niet aan toe was naar de normale school terug te
keren. Ze kwam weer hier en Femke en ik waren zó ontzettend blij!”
Toch zien Marit,
Femke en Aleida, inmiddels alledrie enorm gesterkt door de
weerbaarheidstraining, nu wel uit naar de dag dat zij weer terug kunnen
naar de gewone school.
Femke: “Dan kan ik weer met mijn vriendinnen fietsen, dat mis ik erg. Ik
maak de derde klas hier af en dan ga ik het laatste jaar weer via het
normale onderwijs volgen.”
Aleida: “Als ik straks weer naar de gewone school ga, laat ik me niet
meer op mijn kop zitten. Ik weet dat zo zeker, omdat ik hier, vlak na de
weerbaarheuidscursus, al een keer flink voor Marit ben opgekomen. Een
van de jongens in onze klas had haar mobieltje afgepikt en was
weggerend. Marit kon er niet snel genoeg achteraan, omdat ze vastzat met
haar rolstoel. Dus ben ik achter hem aangevlogen. Ik vroeg hem: “Waarom
pak je dat af, waar is dat voor nodig?”
“Dat vind ik gewoon leuk,” antwoordde hij.
Toen riep ik: “Dus als anderen jouw mobieltje zouden pikken, zou jij dat
ook leuk vinden?”
Nee,” zei hij.
“Nou, doe dan niet zo kinderachtig en geef haar dat ding terug.”
“Oké, oké, je hebt gelijk,” zei hij toen. En Marit had haar mobieltje
terug.”
Femke: “Ik ben laatst ook boos op die jongen geworden. Als je echt tegen
hem zegt wat je ervan vindt, dan houdt hij op, wordt ie verlegen…”
Marit: “Als ik niet met mijn rolstoel had vastgezeten, was ik er zelf
achteraan gegaan en had ik precies hetzelfde gedaan als Aleida. Nu hoeft
echt niemand mij meer te pesten of mijn mobieltje af te pikken, dan
hebben ze een serieus probleem! Ik heb er vertrouwen in, dat ’t daarom
nu wel gaat lukken op de gewone school. De weerbaarheidstraining heeft
mij wat sterker tegen de stress gemaakt, denk ik. Een ander meisje van
hier, dat ook met ons aan de cursus heeft deelgenomen, Mariska, zit nu
op de gewone school in Garredijk. Ik heb haar laatst gesproken en het
gaat heel goed met haar.” Aleida: “Zoiets is fijn om te horen. Je gaat
toch liever…”
Marit: “Ja, je gaat toch liever naar de normale school. Ik zat op een
gewone kleuterschool en een gewone basisschool, toen ging alles nog
goed. Dat was fijn, ik voelde me ook “gewoon” tussen de “gewone
kinderen”. De problemen kwamen pas op de middelbare. Hier op Lyndensteyn
is ’t best gezellig en erg rustig, maar je zit wel de hele dag tussen
rolstoelers en kinderen met allerlei handicaps. Dat is niet de normale
wereld. En daar wil je toch graag bij horen, bij die normale wereld. Ik
zie maar tegen één ding op: Het afscheid straks van Femke en Aleida. Dat
wordt weer stevig janken!”
Het Nationaal Fonds
voor het Gehandicapte Kind (Stinafo) zamelt momenteel geld in voor de
productie van een film, bedoeld voor gehandicapte kinderen, maar ook
voor hun pestkoppen. Stinafo hoopt dat eind 2005 mede dank zij deze
film, alle gehandicapte jongeren van Nederland weten hoe zij zich tegen
pesten kunnen verweren.

|