Profiel van het slachtoffer

1. Zijn pestslachtoffers anders dan gewone kinderen/jongeren

Vaak denkt men dat vooral zwakkere, weinig weerbare personen slachtoffer zijn van pesten. Of dat het gaat om kinderen die anders zijn dan de rest omdat ze bijvoorbeeld opvallen omdat ze dik zijn, rood haar hebben, niet sportief zijn, acné hebben, te braaf zijn, enz. Soms worden mensen gepest omdat ze juist uitblinken en daardoor jaloezie opwekken bij minder fortuinlijke pestkoppen.

Mannen aan het water. Photo by Gerard GielenSommige kinderen hebben wel meer kans om gepest te worden dan andere kinderen. Dat kan met hun uiterlijk samenhangen, maar veel vaker heeft het te maken met hun gedrag, hun gevoelens en de manier waarop ze zich uiten. Bovendien worden kinderen pas gepest in situaties waarin pesters de kans krijgen om een slachtoffer te pakken te nemen, dus in onveilige situaties. Maar een slachtoffer kan daar niet altijd aan doen, dat hij of zij opvalt.  Anders zijn dan de doorsnee jongeren is vaak al voldoende om slachtoffer te worden.
Kinderen die gepest worden doen vaak andere dingen dan de meeste leeftijdgenoten in hun omgeving. Ze zijn lid van een actiegroep en niet van een hobbyclub (of andersom). Ze spelen accordeon en geen viool (of andersom). Ze zijn majorette en zitten niet op ballet (of andersom). Hun ouders zijn gewoon getrouwd en niet gescheiden (of andersom). Ze zijn goed in rekenen of juist niet. Aanleidingen genoeg om door anderen gepest te worden als die andere kinderen daar de kans voor krijgen.

Wie van zich afbijt wordt niet gepest, wordt wel eens beweerd. Het klopt (Deboutte & Schelstraete,2000) dat pestkoppen eerder een slachtoffer kiezen dat niet uitdrukkelijk opkomt voor zichzelf. Een kind dat reageert de eerste keer dat het een duw krijgt, als zijn stift wordt afgenomen, of als het met vervelend gedrag wordt geconfronteerd, kan dit gedrag doen ophouden. Maar het ene kind stelt zijn grenzen duidelijker dan de andere. Om volledig begrepen te worden, moeten onze lichaamstaal en de dingen die we zeggen allemaal overeenstemmen met wat we denken. Zelfs volwassenen hebben daar soms moeite mee. Ook heel mondige kinderen kunnen trouwens het slachtoffer worden van pesten. Dat een kind geen zin heeft om brutaal te zijn of anderen pijn te doen, kan natuurlijk nooit een excuus zijn om het te pesten. Als kinderen eenmaal worden gepest, weten ze meestal niet hoe ze moeten reageren. Als ze wel van zich afbijten, krijgen ze vaak het deksel op de neus. De pesterijen worden er meestal erger door. Het lijkt dan soms dat het gepeste kind begonnen is met agressief en lastig gedrag en niet zijn belagers. Zondebokken staan immers bijna altijd alleen.

Veel kinderen die worden gepest hebben moeite om zichzelf te verdedigen. Ze voelen zich machteloos tegenover de pestkoppen. Vaak zijn ze angstig en onzeker in een groep, ze durven niks te zeggen omdat ze bang zijn om uitgelachen te worden. Deze angst en onzekerheid worden versterkt door het pesten. Pesters hebben snel in de gaten welke kinderen gemakkelijk te pesten zijn, bijvoorbeeld omdat ze snel beginnen huilen..
Wat opvalt is het onzekere gedrag van gepeste kinderen. Ze vermijden alle situaties waarin ze zich met andere kinderen moeten meten zoals testen of wedstrijden. Ze leven zich nooit eens uit. Meestal vermijden ze anderen recht in de ogen te kijken en gedragen zich onderdanig en schichtig.
Gepeste kinderen voelen zich vaak eenzaam, hebben minder vrienden om op straat te spelen, geen vast vriendengroepje in de klas. Soms kunnen ze beter met volwassenen opschieten dan met leeftijdgenoten. Jongens die worden gepest horen meestal niet tot de sterksten van de groep. Ze zijn vaak onhandig in spel en sport.

 Verdrietig meisje
Dat kinderen die op één of andere manier opvallen, meer kans lopen om gepest te worden, betekent niet dat ze ook zullen worden gepest. Als een kind wordt geplaagd met zijn rode haar of omdat het te dik is, en het begint te huilen of wordt kwaad, dan weten pestkoppen dat ze een geschikt slachtoffer hebben gevonden en zullen ze het zeker nog doen. Het uiterlijk is dus meer een aanleiding om het eens te proberen dan de reden voor het pesten. Wie bij plagerijen door de mand valt, riskeert pesterijen in de toekomst.
Kortom het gaat vaak om een fysiek zwakker en onzekerder individu, dat zich vaak bang en eenzaam voelt, weinig vrienden heeft om op terug te vallen. De persoon staat afkerig tegenover geweld en weet niet goed hoe om te gaan met conflicten zowel verbale als fysieke en durft niet voor zich opkomen. Vaak gaat het om personen die niet adequaat reageerden op beginnend pestgedrag. Ze reageerden niet of juist overdreven erop, proberen zich weg te stoppen of gaan meteen klikken wat door andere kinderen meestal niet wordt gewaardeerd.
 

Er is ook een ander soort slachtoffer, dat net heel rusteloos is. Dat jaagt de anderen tegen zich in het harnas doordat het zich niet aan de regels houdt en voortdurend ruzie maakt of bekvecht. Soms reageert het provocerend of agressief op pesterijen. Dit ‘uitlokgedrag’ is dikwijls het gevolg van eerdere pesterijen of van een ander probleem waar het kind geen schuld aan heeft.

Eerder een zondebok geweest zijn speelt ook vaak een rol. Iemand die een pestverleden heeft, zelfs van een andere school, uit een ander milieu (sportclub, …) wordt gemakkelijker sneller gepest. Het is a.h.w. of de pester ruikt of voelt dat het gewillig slachtoffer is.

Een zondebok verraadt zich door zijn/haar lichaamstaal. Hij trekt zich makkelijker terug in zichzelf, begint sneller te wenen of te blozen.
Anonieme kinderen die om een of andere reden niet opvallen in een klas zijn ook een makkelijker slachtoffer. Ze zijn verlegen, weten geen contact te maken met andere kinderen, of zijn bang voor andere kinderen. Deze kinderen vallen nauwelijks op in de klas. Zij zullen dan ook niet aangeven dat zij worden gepest. Als het wordt ontdekt, blijkt er al een vast pestpatroon te zijn ontstaan.
 

Ook de leerkracht kan door zijn gedrag onvrijwillig bijdragen tot pesten. Op zichzelf is apart zijn geen reden tot pesten. Maar als de leerkracht door te plagen, grapjes te maken, of juist boos zijn of straffen voortdurend reageert op het vreemde gedrag, is het mogelijk dat een alibi wordt verschaft aan de kinderen, die vol frustraties zitten en die iemand zoeken waarbij zij hun frustraties kunnen afreageren.
Daarnaast zijn het vaak kinderen die zich niet serieus genomen voelen, weinig controle hebben op hun leven en met "zijnsvragen" worstelen zoals: ben ik wel een goed kind van mijn ouders, ben ik een goede vriend of vriendin, ben ik te vertrouwen, e.d. Het zijn kinderen die mijmeren over de vraag of ze gemist zouden worden: is het wel goed dat ik er ben op deze wereld?

Meisje in spelonkGoed leren of met de hakken over de sloot, stotteren of met een accent spreken, rood haar of kaal, op zich zijn dit echter allemaal geen redenen om tot pestslachtoffer uitverkoren te worden. Het gaat om het feit dat anderen in de groep geen respect kunnen opbrengen voor de gepeste als persoon.
Het gaat dus om de groepsnorm die erin bestaat dat mensen kiezen voor negatieve handelingen en gedrag tegenover een individu om er eigen frustraties op uit te werken (Emmerechts, 1999)
Specifieke oorzaken voor gepest worden zijn dus vaak moeilijk te geven. Hoe een kind zich ook gedraagt, vaak heeft niet bewust voor dat gedrag gekozen, net zoals een kind niet kiest voor scheve tanden, arme ouders, een andere godsdienst dan de rest van de klas. Het ‘verdient’ dan ook niet om gepest te worden. (Deboutte &Schelstraete)

2. Gepeste kinderen komen meer weerbaar uit de strijd ?

Gepest kind is vaak juist het beste af’ kopte de Telegraaf (28 oktober 2004). Gepeste kinderen ontwikkelen namelijk vaak strategieën om zichzelf op te waarderen in de ogen van anderen: in een goed blaadje komen bij de leerkracht, goede cijfers halen, of een hechte vriendschap aanknopen met één bepaald persoon. Dit is een van de uitkomsten van een langlopend onderzoek onder jongeren van 7 tot 24 jaar dat door de Rijksuniversiteit Groningen en het Academisch Ziekenhuis van Groningen werd uitgevoerd.

In het Groningse onderzoek genaamd TRAILS (TRacking Adolescents' Individual Lives Survey) worden sinds enkele jaren ruim 2800 jongeren uit Noord-Nederland gevolgd vanaf groep zeven van de basisschool tot ze 24 jaar oud zijn. Onderzocht wordt waarom sommige kinderen zonder noemenswaardige problemen de puberteit doorkomen, terwijl anderen juist probleemgedrag of psychische klachten ontwikkelen. Bij het profiel van de pestkoppen gaven we reeds aan dat pesters niet altijd meer geliefd zijn in de klas. Volgens René Veenstra, socioloog en verbonden aan het onderzoek, toont het nieuwe onderzoek aan dat kinderen die pesten opvallen in de klas. Hun klasgenoten kunnen dat benoemen als ‘populair', maar dit bekent beslist niet dat de pestkoppen dan ook geliefd zijn. “De manier waarop je kinderen vraagt wie populair is, blijkt essentieel voor het onderzoeksresultaat”, aldus Veenstra. Ook blijkt uit de resultaten dat pesters het niet beter doen dan degenen die gepest worden, integendeel zelfs. Veenstra: “Behalve notoire pesters en hun slachtoffers heb je in iedere groep ook kinderen die zowel dader als slachtoffer zijn. En juist die kinderen zijn het slechtst af. Ze hebben een lastiger karakter en presteren minder goed op school”.
 

De kinderen die gepest worden zijn daarentegen vaak beter in staat nieuwe strategieën te ontwikkelen waarmee ze zich beter door het leven kunnen slaan. Om hun zelfwaardering weer omhoog te halen kloppen ze aan bij een docent of vriend, of ze zorgen ervoor dat ze uitblinken in een bepaald vak.
 

Het zijn dus niet degenen die gepest worden, maar de pesters zelf die meer risico lopen op een problematische jeugd, zo concluderen de Groningse onderzoekers. "Als je weinig vaardig bent in het bedenken van strategieën om situaties te verbeteren, als je qua temperament nogal onbeheerst bent en snel gefrustreerd, als de omgeving niet meezit, dan krijg je een opstapeling van kwetsbaarheden. Dat kan zich uiten in allerlei emotionele of gedragsproblemen. Bij meisjes uit zich dat vaak in depressiviteit, bij jongens in probleemgedrag", aldus de onderzoekers.Meisje met verdriet

Veenstra geeft aan dat er grofweg twee soorten slachtoffers zijn. De ene, het 'typische' slachtoffer, gaat eraan kapot en worden gekwetste en wantrouwige volwassenen, wat niet zelden nefaste gevolgen heeft op zowat ieder domein van iemands leven. Er zijn evenwel ook kinderen, zo merkten de onderzoekers, die gepest worden, maar die er onbewust voor zorgen dat ze op andere vlakken sterk staan. Veenstra: "Ik zeg niet dat gepest worden je sterker maakt, maar in sommige gevallen zien we dat gepeste kinderen beter presteren op school, een extra goede band met de leerkracht opbouwen of een heel goede vriend of vriendin zoeken en die vriendschap erg goed onderhouden. Dat kind zal nog lijden onder de pesterijen, maar uiteindelijk zal het er op sociaal vlak beter aan toe zijn dan veel van de pestkoppen die geen goede vriendschappen, geen goede schoolresultaten en zeker geen goede band met de leerkrachten hebben."

Journaliste Debusschere van De Morgen interviewde Kaat Raes, juriste bij de Sasam, de Stichting Anti Stalking Anti Mobbing. Deze reageerde dat de genoemde bevindingen perfect passen in de kennis over daders en slachtoffers. Raes: "Het klopt dat daders zeer vaak een problematische achtergrond hebben. Ze voelen zich vervreemd en hebben een zeer gebrekkige interactie met de buitenwereld." Dat slachtoffertjes van pesterijen soms op andere vlakken sterker staan, noemt Raes eveneens 'typisch'. Raes: "Dat is een vorm van controle terugwinnen. 'Jij kunt mij wel pesten, maar ik kan betere punten halen.' Ieder trauma draait rond controleverlies en zeer veel slachtoffers proberen die controle terug te winnen, maar dat is niet per se positief. Sommige vrouwelijke incestslachtoffers leiden later soms een losbandig liefdesleven en storten zich in relaties waarin ze opnieuw slachtoffer worden. Op die manier negeren ze de machteloosheid uit hun jeugd: 'Dit is iets waar ik voor kíes'. Die manier om controle terug te winnen is pseudotherapie en zeer destructief. Zo'n slachtoffer lijdt nog. Gepeste kinderen die goede punten halen, een goede vriend hebben en goed bij de leerkracht staan, lijken misschien sterk, maar misschien klampen ze zich angstvallig vast aan die dingen zonder dat ze zich echt gesterkt en minder angstig voelen. (De Morgen, 03/11/2004)

Ook Drs. Bob van der Meer (Bron : http://www.pesten.net ) twijfelt eraan of kinderen overlevingsstrategieën ontwikkelen en daardoor beter af zijn, zoals in het vorige onderzoek gemeld wordt. Hij vindt dat met dit soort uitspraken pesten gerechtvaardigd wordt. "Alsof het minder erg is omdat je er eigenlijk van leert. Je kunt het vergelijken met seksuele mishandeling. Dat is toch ook niet gerechtvaardigd omdat je er van leert hoe je jezelf moet verdedigen?" In groepen en klassen kun je grofweg een indeling maken, zegt Van der Meer. "Er zijn vier tot vijf populaire kinderen. Zij zijn hoog geaccepteerd en laag verworpen door hun klasgenoten. In elke klas zijn er daarnaast een tot twee controversiële kinderen. Zij zijn hoog geaccepteerd (door de meelopers) en hoog verworpen (door de rest van de klas).

Deze groep vertegenwoordigt waarschijnlijk de pester(s). Verder is er altijd sprake van zestien tot zeventien, in mate van geliefdheid, gemiddelde kinderen. Daarnaast zijn er drie genegeerde kinderen. Zij zijn laag geaccepteerd en laag verworpen. En tot slot zijn er altijd vier tot vijf verworpen kinderen. Zij zijn laag geaccepteerd en hoog verworpen. Deze laatste groep bestaat uit risicoleerlingen. Ze zijn in hoge mate depressief en vertonen daarnaast nog allerlei andere uitvalverschijnselen. Dit zijn kinderen die, als er sprake is van pesten, voortdurend gepest worden, waarop zij twee mogelijke reacties gaan vertonen. Ze worden passief, het grootste aantal, of provocerend. Een provocerende zondebok is vaak angstig, agressief en irriteert anderen: leerkrachten en klasgenoten. Beide gedragingen zijn reacties op voortdurend gepest worden of gepest zijn. Deze kinderen zijn derhalve het slechtst af."Half gezicht jongen

3.Pesten en cyberpesten

Jongeren die in het echte leven gepest worden, lopen een groter risico om ook slachtoffer te worden van online pesten. Eén op de vijf jongeren van 11 tot 15 jaar is minstens een keer per maand slachtoffer van online pesten. Pesten in het echte leven komt echter vaker voor. Eén op de drie tot vier jongeren maakt dit maandelijks mee. In het echt gepest worden blijkt ook meer nadelige gevolgen te hebben dan gepest worden op internet. Maar online pesten kan de schadelijke gevolgen van pesten in het echte leven echter versterken. Jongeren die zowel in het echt als online gepest worden zijn somberder, eenzamer en hebben een negatiever zelfbeeld dan jongeren die alleen online of alleen in het echt gepest worden. Dit bleek uit de resultaten van de eerste meting van het monitoronderzoek 'Internet en Jongeren' van het IVO. Het onderzoek is uitgevoerd onder 4500 leerlingen van groep 7 en 8 van het basisonderwijs en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs. De resultaten zijn volgens de onderzoekers representatief voor Nederlandse leeftijdgenoten.

Jongeren die in het echte leven gepest worden, lopen een groter risico om ook slachtoffer te worden van online pesten. Het hebben van online contacten met jongeren die men alleen via internet kent, en intensief gebruik van profielsites, Habbo Hotel en MSN-messenger verhogen de kans op digitale pesterijen. Jongeren die zelf online pesten, worden zelf ook vaker slachtoffer van pesterijen op internet.
Jongeren die in het echt gepest worden, internetten meer uren per week dan jongeren die niet in het echt gepest worden, te weten 18 en 10 uren per week. Ze lijken internet onder andere te gebruiken om met negatieve ervaringen in het echte leven om te gaan.
(Bron: www.telegraaf.nl 15/06/2006)

4. Meelopers & toekijkers

De meeste kinderen zijn niet direct betrokken bij pesten. Sommigen kijken alleen toe, anderen doen af en toe mee. Dit zijn de meelopers. Er zijn kinderen die niet merken dat er gepest wordt of ze willen het niet weten. Doordat meelopers mee pesten met een groep voelen ze zich niet zo erg verantwoordelijk voor de gevolgen voor degene die gepest wordt.

Hoewel deze kinderen geen actieve rol spelen bij het pesten, zijn zij medebepalend voor het voortduren van het pesten. De pestende kinderen voelen zich gesterkt door de instemming van de toeschouwers. Doordat zij de gepeste kinderen niet steunen of de pester stoppen, kunnen de pesters vrijelijk hun gang gaan. Vaak versterken zij het succes van de pestende kinderen door op een afstandje toe te kijken en te lachen Als andere kinderen het gepeste kind te hulp komen of tegen de pester zeggen dat hij moet ophouden, verandert de situatie aanzienlijk. Het pesten wordt dan minder vanzelfsprekend. Het helpt als kinderen die minder betrokken zijn bij het pesten zelf, de leerkracht inlichten. Meelopers zijn vaak bang om zelf slachtoffer te worden van pesten. Als ze het zouden opnemen voor het slachtoffer, lopen ze de kans zelf gepest te worden. En iedere dag zien ze hoe erg dat is. Om er zeker van te zijn dat zij zelf niet het slachtoffer worden doen ze mee met de rest van de groep. Vaak voelen zij zich diep van binnen schuldig tegenover de gepeste. Ze zouden wel iets willen doen maar denken dat ze de enige zijn die er zo over denken en durven er daarom niks van te zeggen. Het kan zijn dat de meelopers stoer gedrag interessant vinden en denken daardoor populair in een groep te worden. Deze kinderen hebben bewondering voor de pesters en zouden willen dat ze zelf initiatieven durfden te nemen bij het pesten.

Vele houden zich het liefst afzijdig als er wordt gepest. Ze voelen zich wel schuldig dat ze niet in de bres springen voor het slachtoffer of een volwassene te hulp roepen maar willen zich meestal niet moeien. Er zijn ook kinderen die absoluut niet in de gaten hebben dat er gepest wordt. Ze zien misschien wel iets gebeuren, maar kunnen de ernst van de situatie niet inschatten.Twee jongens op wandel

Pesten is een groot probleem voor kinderen, vooral voor de kinderen die zelf worden gepest. Toch beginnen veel kinderen er thuis niet over.
Een kind dat wordt gepest, schaamt zich daar vaak voor. Het wil zijn ouders niet teleurstellen. Een gepest kind is geen populair kind en dat hadden haar/zijn vader en moeder wél graag gewild. Dat voelt een kind haarscherp aan. Het kan ook zijn dat een kind thuis niets zegt omdat het pestprobleem onoplosbaar lijkt. Het is misschien bang dat het probleem juist groter wordt. Stel je voor: je vader of moeder zou weleens contact op kunnen nemen met de ouders van de pestkop of met de leerkracht op school! Misschien brengt de leerkracht in de klas het probleem ter sprake, dan weten de klasgenoten dat er 'geklikt' is. De pesterijen worden dan misschien juist erger.

Ook kinderen die zelf pesten zullen thuis niet gemakkelijk over het pesten praten. Zij kunnen er alleen over beginnen als ze zich bewust zijn van hun gedrag en van de ernstige gevolgen daarvan.
Pesters weten vaak zelf niet waarom ze iemand pesten. Ook dringt het niet tot ze door hoe erg hun gepest voor het slachtoffer is: 'ze lokte het toch zelf uit, wie loopt er nou nog met zo'n stomme schooltas?' is hun redenering. Daarnaast willen veel pestende kinderen de machtspositie die ze door het pesten verkrijgen, niet verliezen.

Het risico bij het opstellen van profielen van slachtoffers is dat men vergeet dat het pesten ook ingebed is in een sociale omgeving. De structuur van de organisatie, de waarden en normen die in een groep leven, zelfs gewoon bepaalde feiten die toevallig voorgevallen zijn (een leerkracht berispt een leerling die het niet is geweest, en is vriendelijk tegen een ander kind), het omgangsbeleid dat bestaat zijn allemaal factoren die het pesten vergemakkelijken en dan kan iedereen slachtoffer worden.

5. Pesten van kinderen met een handicap ?
 

Pesten, iedereen heeft er wel eens op een of andere manier mee te maken gehad; op school, op straat op de (sport)vereniging of op het werk. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen met een handicap of chronische ziekte een tot 5x grotere kans hebben om gepest te worden. De organidatie Stinafo is een groep die kinderen met een handicap begeleidt en al langer met de problematiek van het pesten van kinderen met een handicap bezig is.

In de afgelopen vijf jaar hebben diverse scholen in zowel het basis- als voortgezet onderwijs gebruik gemaakt van een voorlichtingspakket door Stinafo ontworpen. Het materiaal is ontworpen met behulp van gehandicapte kinderen zelf en bedoeld voor zowel gehandicapte als niet gehandicapte kinderen.
Het pakket bestaat uit een videopresentatie, een handleiding voor leraren en begeleiders en een pest schriftje ter ondersteuning van klassikale oefeningen. (Het pakket is verkrijgbaar bij Duo Marketresearch, 030 – 2155188)
Stinafo blijft zich ervoor inzetten het onderwerp de aandacht te brengen en gehandicapte kinderen te leren zich te weren in de soms vervelende situaties waarin ze terecht kunnen komen. En niet zonder succes. Lees hier het verhaal van Marit Bron. ( www.pestweb.nl  15/01/2005)

Training veranderde “Stombo” Marit Bron (14) in stoere “rolstoel babe”: “Wie mij nu pest of mijn mobieltje pikt heeft een probleem!” ( http://www.stinafo.nl/nieuws_pesten_art1.html )

"Als gehandicapte jongere wil je zo ontzettend graag “gewoon” zijn, net als andere kinderen. Maar je bent dubbel de dupe: Je kampt met een lichaam dat niet meewil en dan word je ook nog eens mega gepest. Ze gooien je rolstoel achterover en laten je hulpeloos liggen. Of ze maken je uit voor “Stombo”, aap, baby, waggeleend of driepoot. Het komt zelfs voor dat ze je treiterig vragen: “Waarom leef jij eigenlijk?”
Marit Bron (14), geboren met spina bifida (open ruggetje), straalt - na veel stil verdriet op diverse scholen - als nooit tevoren. “Skoalle Lyndensteyn” verraste haar dit jaar met een geschenk, nog mooier dan haar mooiste kerstcadeau: een unieke weerbaarheidstraining, die Marit van onzekere rolstoeltiener in een echte “power babe” heeft veranderd! Nationaal Fonds “Het Gehandicapte Kind” (Stinafo) hoopt in 2005 alle gehandicapte kinderen zo weerbaar te maken als Marit nu is. Een mooi voornemen…
Wij sloten onze training af met een prachtstunt in bijzijn van de ouders. Er lagen houten karateplankjes klaar. En die moesten in één klap doormidden. Alle kinderen slaagden bij deze demonstratie. Je had Marit’s glunderende gezicht eens moeten zien. Vervolgens mochten de vaders en moeders het proberen. Nu, dat ging mooi mis. Bang om te falen sloegen ze fout en hielden er een zere hand aan over!”Jongen en meisje aan muur
 

Niet zonder trots verhaalt Baukje Abma, directeur van “Skoalle Lyndensteyn” in het Friese Beesterzwaag, over de speciale weerbaarheidstraining voor gehandicapte kinderen, die sinds kort deel uitmaakt van het onderwijspakket van haar school. Lyndensteyn vangt gehandicapte kinderen op, die, om wat voor reden ook, tijdelijk of permanent niet kunnen meekomen in het reguliere onderwijs. Daarnaast heeft Lyndensteyn ambulante begeleiders, die de kinderen thuis helpen met huiswerk of psychologische steun, zodat ze gewoon op de eigen school kunnen blijven.
 

Baukje: “Wij zijn groot voorstander van integratie: zoveel mogelijk gehandicapte kinderen op de normale school. Dat willen ze zelf ook ’t liefst; één zijn met “de gewone kinderen”. Maar helaas zitten veel gehandicapte jongeren barstensvol onzekerheden. Ze schamen zich soms voor hun handicap en zijn dan ook meteen het mikpunt van de notoire pestkoppen, die je op iedere school hebt en die - in eerste instantie - vaak geen spoortje mededogen kennen. Het viel ons de afgelopen jaren steeds meer op, dat veel van onze leerlingen juist vanwege dat pesten op de gewone school stukliepen. Een van onze bewegingsleerdocenten kwam na het volgen van een cursus “Omgaan met pesten” op het idee elementen daarvan te gebruiken voor het ontwikkelen van een geheel nieuwe training, speciaal toegespitst op gehandicapte kinderen. En die training werkt fantastisch. Er komen nu ook gehandicapte kinderen naar ons toe, die hier niet op school zitten. Alleen om aan de weerbaarheidstraining deel te nemen. En het werkt, het werkt echt. Ze gaan stukken sterker terug naar huis.”
 

Op de speelplaats van Skoalle Lyndensteyn treffen we Marit en haar hartsvriendinnen. Marit: “Ik zit hier op school vanwege de stress. Ik heb nare dingen meegemaakt. Vroeger had ik een stoma, die regelmatig lekte en dan scholden ze me voor baby uit. Of ze trokken me aan mijn haren, pakten mijn rolstoel en dan gingen ze met me scheuren over het plein, totdat de rolstoel achteroverkieperde en ik op de grond rolde. Dan was de lol er weer vanaf, liepen ze weg en lieten me gewoon liggen. Ik zat eerst op een school met meer dan duizend leerlingen, zo’n fabriek. Veel drukte, herrie, harde geluiden, dat vind ik eng. Bij ruzies, bijvoorbeeld, of als er een stoel omvalt. Door mijn handicap ben ik daar extra gevoelig voor. Dus is besloten mij op een speciale school te plaatsen, met allemaal ADHD-kinderen. Daar was alles rustig, maar wel super streng, een soort strafkamp. Wat moest ik daar nou? En toen kwam Skoalle Lyndensteyn Ik heb ’t erg naar mijn zin, alhoewel ik in ’t begin ook hier behoorlijk werd gepest. Nota bene door Aleida en Femke, nu mijn beste vriendinnen. Ik was stil en vond alles akelig en nieuw, liep ook met alle lessen een beetje achter. Aleida en Femke maakten me uit voor Stombo en zaten me de hele tijd te treiteren en te klieren.”
 

Femke: “We mochten Marit niet. Ze zonderde zich altijd af, deed vreemd, niet aardig. Vandaar dat we heel naar tegen haar gingen doen. De hele klas was eigenlijk tegen Marit. Aleide en ik deden flink mee met de pesterijen. Raar eigenlijk, ik schold Marit uit, terwijl ik vroeger zelf zoveel heb gehuild, omdat ik ook werd nagejouwd en uitgelachen. Ik heb een ziekte aan mijn heup, het kraakbeen zit er niet meer in. Dat is vastgegroeid. Gebeurde zo maar, toen ik twaalf was. Ik sleepte met mijn voet en liep scheef. Ze riepen me na: “Je lijkt wel een aap!” Ook maakten ze me uit voor paard, manke of driepoot.”
Aleida: “Ik heb er ook spijt van, dat ik zo rot deed tegen Marit. Ik heb ’t zelf net zo moeilijk gehad op de gewone school. De linkerkant van mijn lichaam functioneert al vanaf mijn geboorte niet goed. Als kind had ik altijd spalken om, omdat ik slecht kon lopen. Ze maakten mij uit voor waggeleend of mankpoot. Echt niet fijn, als je er zelf al zo van baalt. Ik zat in Groep 1 van de basisschool samen met mijn tweelingzusje in de klas. Zij is ook gehandicapt en verstandelijk een stuk zwakker dan ik.

Meisje piekert Verborgen verhalen Bart EOZij kon de normale school helemaal niet aan. Vandaar dat ze al meteen na dat eerste jaar hier op Lyndensteyn terechtkwam. Ik heb nog tot Groep 5 op de basisschool gezeten. Dat vijfde jaar moest ik overdoen, vanwege een flink opgelopen leerachterstand. Het wou gewoon niet. Ik kon niet opletten, voelde me ook eenzaam, verdrietig en minder waard dan die andere kinderen. Dat kwam ook doordat mijn ouders mij hadden afgestoten, ze konden mijn handicap niet aan. Ik ben een pleegkind. Als je hoort dat andere jongeren soms tegen gehandicapte kinderen dingen durven zeggen als “waarom leef jij eigenlijk?”, zeg ik: Ik vraag me inderdaad al heel lang af waarom ik eigenlijk leef… De andere kinderen voelden het heel goed aan, dat ik mij minder voelde. Ze moesten mij altijd hebben, knikkers afpakken, me expres laten struikelen bij het springtouwen, ik durfde nooit boos te worden. Het gekke was ook, dat ik allemaal rare dingen begon te verzinnen om aandacht te krijgen. Zo heb ik op school verteld dat mijn zusje blind was, een heel zielig verhaal, compleet uit mijn duim gezogen. Een van de meisjes uit mijn klas had dat thuis verteld en haar ouders stuurden een kaartje naar mijn pleegouders, met een sterktewens voor mijn blinde zusje. Zo liep alles in de soep, iedereen kwaad op mij en toen werd ik nog erger gepest. Uiteindelijk ben ik hier op Lyndensteyn geplaatst, om bij te scholen totdat ik naar het gewone vmbo kan. Dat liegen om aandacht schijnt trouwens meer voor te komen bij kinderen, die zich erg alleen en minderwaardig voelen.”
 

Marit: “Soms denk je wel eens: Waarom ik? Waarom ben ik gehandicapt en al die andere kinderen niet? Op het Indonesische eiland Bali geloven de Hindoes dat mensen met een handicap in hun vorige leven iets hebben misdaan. Al heb je maar een moedervlekje, dan ben je al fout geweest. Dus waarschijnlijk heb ik iets heel ergs gedaan, een moord gepleegd of zo.”
Femke: “Minstens…”
Marit: “Maar goed, nu is ’t afgelopen met die minderwaardigheidsgevoelens. En als ’t moet durven we best boos te worden. Op de weerbaarheidstraining hebben wij veel geleerd. De cursus begon met gesprekken, praten over wat je moeilijk vindt, wat je pijn doet. We moesten dat ook opschrijven. Daarna gingen we rolspellen doen, waarbij we voor onszelf moesten opkomen, dat was best wel eng. Dan gingen de andere kinderen in een groep staan en deden ze alsof ze niets van jou moesten hebben. En dan moest je daarop af. Je mocht niet accepteren dat ze je niet toelieten in hun groepje Je moest eerst luisteren over welk onderwerp ze aan het praten waren en dan gewoon brutaal inspringen en meepraten. Dat was basistruc één om geaccepteerd te worden. Werd er gezegd: “Rot op jij!”, dan moest je basistruc twee gebruiken; heel direct vragen: “En hoezo mag ik er niet bij? Wat is hier mis?”. Als dat niet werkte, mocht je je niet terugtrekken. Je moest gewoon doorzetten met basistruc drie; iemand van het groepje individualiseren door hem of haar aan te tikken en recht op de man af te vragen: “En wat heb jij tegen mij?” Dat zijn allemaal trucs, die er normaal gesproken toe leiden dat de pestkoppen hun schouders ophalen en je er dan toch maar bij laten.Handen
 

Verder is ook heel belangrijk nooit “ja” te zeggen als je “nee” bedoelt en wanneer je ergens nieuw komt meteen voor heel de klas duidelijk uit te leggen wat er precies met jou mis is. Tijdens een spreekbeurt of zo. In plaats van je mond te houden en je problemen te verbergen. Tien tegen één dat je dan van veel leerlingen begrip krijgt en ze juist in je geïnteresseerd raken. En als ze echt gaan klieren, dan mag je gerust af en toe even flink uitspatten, even helemaal flippen van boosheid, dan schrikken ze ook vaak terug.” Aleida: “Omdat ik het eigenlijk helemaal niet leuk vond dat ik Marit telkens pijn deed met hele gemene scheldwoorden en omdat Marit het ook niet leuk vond naar mij terug te schelden, hadden wij al voordat we die weerbaarheidscursus gingen volgen besloten een keer met elkaar te praten, om te kijken of er dingen waren die we allebei leuk vonden, zoals sporten en zo. Het ging niet meteen erg gemakkelijk, maar opeens beseften we dat we helemaal geen hekel aan elkaar hadden.

Toen hebben we maar eens bij ieder thuis afgesproken en dat gebeurde steeds vaker. Zo zijn we langzaam maar zeker beste vriendinnen geworden. Ik heb ontdekt dat zij eigenlijk helemaal niet zo’n tuttebel of in zichzelf gekeerd type is, maar dat je juist vreselijk met haar kunt lachen. Ze was gewoon bang onderdrukt te worden en trok zich daarom een beetje terug of ze beet juist narrig van zich af als je haar uitdaagde. Wat ik van mezelf het idiootste vind is dat ik Marit ooit voor “Stombo” heb uitgemaakt. Want kijk eens goed naar haar, stom is ze helemaal niet!” Marit: “Ach, ik reageerde ook fout op hun gepest. Ik had gewoon met ze moeten praten. Op ze afstappen, vriendelijk blijven, maar wel duidelijk stellen: Ik vind dit niet leuk, kunnen we niet wat gezelliger met elkaar omgaan? Vaak is pesten gewoon een test om te kijken hoe iemand in elkaar zit. Reageer je goed, dan pesten ze je niet meer.”
 

Aleida: “Marit is nu mijn privé psychologe, ik kan met al mijn problemen bij haar terecht. Voel ik me nu down, dan kan ik met haar bellen. Fleurt ze me weer helemaal op. Had ik echt nooit gedacht. Laatst had de schoolleiding besloten dat Marit best naar het gewone vmbo kon. Ze moest hier weg en toen hebben we met z’n tweeën vreselijk zitten huilen, omdat we uit elkaar werden gehaald. Maar gelukkig, nou ja… niet echt gelukkig…, bleek dat Marit er toen nog niet aan toe was naar de normale school terug te keren. Ze kwam weer hier en Femke en ik waren zó ontzettend blij!”
 

Toch zien Marit, Femke en Aleida, inmiddels alledrie enorm gesterkt door de weerbaarheidstraining, nu wel uit naar de dag dat zij weer terug kunnen naar de gewone school.
Femke: “Dan kan ik weer met mijn vriendinnen fietsen, dat mis ik erg. Ik maak de derde klas hier af en dan ga ik het laatste jaar weer via het normale onderwijs volgen.”
Aleida: “Als ik straks weer naar de gewone school ga, laat ik me niet meer op mijn kop zitten. Ik weet dat zo zeker, omdat ik hier, vlak na de weerbaarheuidscursus, al een keer flink voor Marit ben opgekomen. Een van de jongens in onze klas had haar mobieltje afgepikt en was weggerend. Marit kon er niet snel genoeg achteraan, omdat ze vastzat met haar rolstoel. Dus ben ik achter hem aangevlogen. Ik vroeg hem: “Waarom pak je dat af, waar is dat voor nodig?”
“Dat vind ik gewoon leuk,” antwoordde hij.
Toen riep ik: “Dus als anderen jouw mobieltje zouden pikken, zou jij dat ook leuk vinden?”
Nee,” zei hij.
“Nou, doe dan niet zo kinderachtig en geef haar dat ding terug.”
“Oké, oké, je hebt gelijk,” zei hij toen. En Marit had haar mobieltje terug.”Mensen in de stad
Femke: “Ik ben laatst ook boos op die jongen geworden. Als je echt tegen hem zegt wat je ervan vindt, dan houdt hij op, wordt ie verlegen…”
Marit: “Als ik niet met mijn rolstoel had vastgezeten, was ik er zelf achteraan gegaan en had ik precies hetzelfde gedaan als Aleida. Nu hoeft echt niemand mij meer te pesten of mijn mobieltje af te pikken, dan hebben ze een serieus probleem! Ik heb er vertrouwen in, dat ’t daarom nu wel gaat lukken op de gewone school. De weerbaarheidstraining heeft mij wat sterker tegen de stress gemaakt, denk ik. Een ander meisje van hier, dat ook met ons aan de cursus heeft deelgenomen, Mariska, zit nu op de gewone school in Garredijk. Ik heb haar laatst gesproken en het gaat heel goed met haar.” Aleida: “Zoiets is fijn om te horen. Je gaat toch liever…”
Marit: “Ja, je gaat toch liever naar de normale school. Ik zat op een gewone kleuterschool en een gewone basisschool, toen ging alles nog goed. Dat was fijn, ik voelde me ook “gewoon” tussen de “gewone kinderen”. De problemen kwamen pas op de middelbare. Hier op Lyndensteyn is ’t best gezellig en erg rustig, maar je zit wel de hele dag tussen rolstoelers en kinderen met allerlei handicaps. Dat is niet de normale wereld. En daar wil je toch graag bij horen, bij die normale wereld. Ik zie maar tegen één ding op: Het afscheid straks van Femke en Aleida. Dat wordt weer stevig janken!”