|
Algemeen
Inleiding
Wat is pesten
Wat is digitaal pesten
Vormen van cyberpesten
Profiel van de dader
Profiel van het slachtoffer
Gevolgen van cyberpesten
Wat maakt cyberpesten zo populair
Onderzoeksgegevens
Preventie
en begeleiding
Hoe als hulpverlener helpen
Beschermen tegen cyberpesten
Cyberpesten en school
Volwassenen
Cyberpesten op het werk
Cyberstalken
Leerkrachten cyberpesten
Educatief materiaal
Info over bestaand materiaal
Zelf ontwikkeld materiaal
Aanverwante onderwerpen
Andere internetgevaren
Gevaar van spelletjes
Links naar andere
websites
Nederlandstalig
Engelstalig
Divers
Contact
Zoeken op deze site
Discussieforum
Cyberpesten en media(blog)
Disclaimer & copyrights
© Gerard Gielen Hasselt |
Cyberpesten, ouders en de school
1.
Ouders, school en cyberpesten
Zelfdoding Duitse jongen (13) na
pesterijen via Facebook. Een 13-jarige jongen in Duitsland die gepest
werd, heeft zich na het lezen van een kwetsende opmerking op Facebook
voor de trein gegooid. Joel zou samen met zijn beste vriend naar
een autotreffen gaan, toen hij vooraf even zijn Facebook-pagina checkte.
Tot zijn grote ontzetting zag hij hoe iemand 'Joel, je bent een homo' op
zijn pagina geschreven had. De knul liep na het lezen van de boodschap
het huis van zijn vriendje uit, recht naar de spoorweg, en ging op de
sporen liggen. De 13-jarige jongen was eerder al het mikpunt van spot,
onder meer omwille van zijn gewicht en kleren. "Ik wist dat mijn zoon
gepest werd, maar ik had geen idee dat het zo erg was", aldus zijn
moeder. De vrouw wil ouders bewustmaken van de gevaren van pesten op
Facebook. "Het heeft mijn zoon gebroken", aldus de Duitse. "Voor
jongeren is wat er op internet en Facebook gebeurt heel belangrijk",
aldus Thomas Knüwer, expert sociale media. "De gevolgen van een 'domme
uitspraak' op Facebook zijn groter dan die op een speelplaats." (HBvL
15/02/2011)
1.1. Digitale kloof tussen ouders (leerkrachten) en kinderen.
Er groeit een digitale kloof tussen opvoeders en kinderen. Kinderen
leven, als het om televisie, internet en ipods gaat, in een aparte
wereld. Ouders hebben vaak geen notie waar hun kinderen naar luisteren
of kijken. De digitale kloof wordt momenteel eerder groter dan kleiner.
Steeds meer en steeds jongere kinderen hebben een eigen televisie en/of
computer op de kamer, webcam, ipod,… Het mediagebruik wordt steeds
privater. Ouders haken af omdat ze het te druk hebben of omdat ze denken
dat ze toch niet meer kunnen bijbenen. Gescheiden ouders willen hun
kinderen voor zich winnen en laten hen alles toe. Er zijn momenteel zeer
weinig ouders die beseffen hoe snel de multimediale ontwikkelingen gaan.
Ze weten amper wat een Playstation, Ipod, webcam, GSM met camera, etc.
zijn, laat staan dat ze weten hoe het werkt of wat de mogelijke risico’s
daarbij zijn. Jongeren zijn bovendien momenteel niet alleen
mediaconsument, maar ook meer en meer mediaproducent. Ze maken en
vergaren hun eigen nieuws, produceren websites met school- of ander
nieuws, maken foto’s met hun mobieltjes, schrijven weblogs, maken
webcamfilmpjes over school , vrienden en uitgaansleven en verspreiden
die via internet, doen online via Google mee aan webcamidols
wedstrijden,…In hun enthousiasme staan ze vaak niet stil bij wat ze
allemaal doen, houden ze totaal geen rekening met regels omtrent
privacy, maken ze persoonlijke dingen bekend, enz.
Jongeren zitten in een levensfase waarbij ze niet altijd nadenken bij de
dingen die ze doen. Ze stellen nog veel onverantwoord gedrag omdat ze
ook niet altijd op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Tot 18 jaar
zijn jongeren in principe niet aansprakelijk voor hun eigen gedrag, maar
wel hun ouders. Dit maakt dat jongeren niet altijd beseffen dat ze kwaad
kunnen doen met de dingen die ze verspreiden of de handelingen die ze
stellen. De Amerikaanse onderzoeker David Walsh (
www.contracostatimes.com )
wijt het onbezonnen gedrag van tieners aan de onvolgroeidheid van de
hersenen van tieners. Het gedrag van jongeren, inclusief cyberpesten of
onbezonnen internet of GSM gedrag heeft volgens hem te maken met
hersenontwikkeling. Ouders en leerkrachten moeten volgens hem zoeken
naar wat zich binnen het hoofd van de tieners afspeelt. De hersenen van
tieners zijn een werk in ontwikkeling. De gaspedaal is ingedrukt tot op
de bodem en de remmen zijn nog in bestelling. Nogal wat ouders denken
dat jongeren een voltooide hersenontwikkeling hebben en gaan er vanuit
dat ze volwassen gedrag kunnen stellen. Dit is nog niet het geval,
oordeelt de auteur. De hersenen hebben dan wel dezelfde maat als dat van
hun ouders, het is een feit dat nog niet alle zones even sterk
ontwikkeld zijn.
Vooral de
prefontale hersenschors, die als uitvoerend centrum van de hersenen
dient is nog niet definitief gevormd. De dramatische verhogingen van
testosteron of oestrogeen zijn als het ware versnellingen van de auto
waarvan de remmen voor een fiets werden ontworpen predikt de
onderzoeker. Dit verklaart waarom tieners vaak handelen zonder na te
denken. Het feit dat tienerhersenen zich nog ontwikkelen excuseert geen
roekeloos gedrag, maar het maakt het wel begrijpelijker. Ouders en
leerkrachten moeten de plaatsvervangende prefontale hersenschors vormen,
vertelt Walsh. Vele ouders maken de fout door hun kinderen hun gang te
laten gaan. Ouders en leerkrachten moeten meer bewust zijn van de
gevaren die kinderen oplopen in hun onbezonnen gedrag o.a. op het
internet. Een generatie geleden hingen jongeren op in slechte buurten,
pleinen en steegjes. Ouders denken dat hun kinderen veilig zijn als ze
op hun kamer rustig achter de computer zitten te chatten via MSN of
profielen aanmaken op sites als
www.myspace.com . Niets is minder waar. De slechte buurten waar
jongeren kunnen rondhangen zijn verhuisd naar de computer en zijn even
gevaarlijk. Jongeren worden uitgedaagd om elkaar te pesten via internet,
om onbezonnen dingen te doen zoals zich uitkleden voor webcams, door het
aanmaken van haatwebsites, enz. Volgens Walsh moeten ouders ,
leerkrachten en alle andere begeleiders jongeren sturen ook al speelt
het leven van de jongeren zich nu niet meer in slechte buurten maar op
internet af. Volwassenen moeten kinderen er op wijzen dat ze niet zomaar
alles kunnen filmen, beschrijven en versturen. Ze mogen ook niet zomaar
alles op internet publiceren, zeker als ze niet zeker zijn dat de dingen
waar zijn, want eenmaal berichten op internet terecht komen, gaan ze een
eigen leven leiden. Eén foto manipuleren of één alinea weglaten kan al
een heel ander beeld geven. Jongeren moeten dit weten.
Uiteraard is niet alles negatief. Recent onderzoek liet zien dat
mediagebruik zowel positieve als negatieve effecten heeft. Jongeren doen
door mediagebruik gespreksstof op en ontwikkelen via internet sterkere
relaties. Ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om jongeren
op een positieve manier met media te leren omgaan, een vorm van
media-educatie. Onder media-educatie kan men verstaan dat ouders,
opvoeders en leerkrachten moeten proberen om de positieve kanten van
nieuwe media(zoals informatievoorziening en vermaak) te versterken en de
negatieve kanten (verslaving, seks, kindermisbruik,…) te dempen.
Daarvoor is het op de eerste plaats nodig dat ouders weten waarnaar hun
kinderen én tieners kijken, met welke media ze bezig zijn, enz. Durven
ouders nog samen met kinderen achter de computer kruipen? Volwassenen
zijn vaak bang dat ze een mal figuur slaan omdat ze de nieuwe media niet
kennen. Ook dat is een opdracht. Leren hoe de nieuwe media werken en
gevaren leren onderkennen zonder bij het minste probleemje in paniek te
slaan. Als je tegenwoordig op internet surft kom je bijna op elke pagina
wel bloot tegen. Voor jongeren is dit normaal geworden. Volwassenen
moeten dit leren relativeren.
Kinderen opvoeden is geen gemakkelijk proces. Ouders moeten leiding
geven maar natuurlijk ook durven geleidelijk steeds meer los te laten.
Zoals een kind pas leert fietsen als je het loslaat en als het zelf
trapt, evenwicht bewaart en richting kiest, zo kan een ouder zijn kind
ook op de digitale snelweg niet voortdurend vasthouden. Het kind moet
zelf leren omgaan met de mogelijkheden maar ook met de mogelijke
gevaren.” Toch is het aangewezen dat ouders in gesprek blijven met hun
kinderen. Je moet ook bij oudere kinderen en tieners vragen stellen
zoals : ‘Waar ben je mee bezig als je achter de computer zit? Hoe gaat
dat precies? Mag ik eens meekijken hoe je dat doet?’ Je moet de vragen
stellen zonder wat je te zien of te horen krijgt meteen af te keuren of
te verbieden want dan gaan jongeren het beschouwen als bemoeienis of
zeker niets meer vertellen over wat hen bezighoudt.
Het
verdient aanbeveling dat scholen of organisaties ouderavonden
organiseren waar ze leren omgaan met computer, met internet en met de
programma’s waarmee jongeren werken om te zien hoe ze hun kinderen het
best kunnen begeleiden. In een aantal scholen laat men de leerlingen les
geven aan de ouders over hoe internet werkt, hoe Msn werkt, hoe chatten
gebeurt, de veiligheid van wachtwoorden, enz. Maar ook thuis kunnen
kinderen hun ouders informeren. Wanneer ouders daar onbevooroordeeld
voor open staan, zijn jongeren ook bereid om de risico’s te leren inzien
als ouders vinden dat er gevaarlijke dingen aan het gebeuren zijn.
1.2. Tweederde jongeren helpt ouders op internet
Een Nederlands onderzoek geeft aan dat ruim tweederde van de Nederlandse
jongeren hun ouders helpt op internet. Een kwart van de jongeren geeft
aan dat hun ouders dat niet nodig hebben. Dat blijkt uit het Youth
Report, een enquête onder ruim 13.000 leden van online community
Sugababes.nl /Superdudes.nl , in de leeftijd 13 t/m 24 jaar. De
omgekeerde wereld die internet heet, waarin kinderen hun ouders wegwijs
maken in plaats van andersom, is voor de jongeren een hele natuurlijke.
Ze begrijpen dat ouders en leerkrachten hier niet altijd even goed in
thuis zijn, en zijn dan ook niet te beroerd om hun rol als opvoeder ter
hand te nemen. Joyce (14): "Ik help mijn moeder altijd met alles! Ze
snapt sommige dingen niet echt goed, dus leg ik haar veel dingen uit."
Meer dan de helft van de jongeren internette wel eens samen met hun
ouders. In iets meer dan de helft van die gevallen ging het om nuttige
dingen als internetbankieren, 13 procent deed uitsluitend leuke dingen
met zijn/haar ouders op internet. Gevraagd naar hoe zij hun eigen
kinderen later op zouden voeden als het gaat om internetgebruik, kwamen
‘vrijheid’ en ‘privacy’ veel voor in de gegeven antwoorden. Kevin (16):
"Mijn ouders geven me privacy, zo wil ik het ook doen met mijn kinderen,
dat vind ik heel belangrijk. Ik zou ze wel vertellen dat als ze ergens
mee zitten, ze er gewoon over moeten praten." Ook zouden veel jongeren
hun kinderen leren voorzichtig te zijn met persoonlijke gegevens. Donna
(13): "Net als mijn ouders zou ik zeggen: niet je adres en
telefoonnummer op internet zetten, maar foto’s mogen wel. En niet de
hele dag achter de pc zitten." (
http://www.nu.nl/ )
1.3. Hoe voorkomt men pesten. Het voorbeeld geven.
• Wie de leerkracht vraagt om zijn kind in de klas zeker niet naast
Ellen, Bart of Hakim te zetten, geeft zijn kind het signaal dat
uitsluiten mag.
• Hoe gaan we thuis om met elkaar (schelden, roepen, tieren)? Wie thuis
weinig belangstelling krijgt, heeft grotere kans om treiteraar te
worden. Ouders die zelf lijfstraffen uitdelen, lopen het risico dat hun
kinderen vlugger geweld gebruiken.
• Bekijk kinderen als vol, praat met hen, geloof hen,vertrouw hen, geef
ze verantwoordelijkheid. Dat geeft zelfvertrouwen en voorkomt
frustraties en agressie.
• Leer kinderen thuis vaardigheden als opkomen voor zichzelf, hun
gedacht zeggen, zich inleven in andere kinderen/volwassenen, omgaan met
gevoelens als tegenslag
• Zorg voor een goede dialoog tussen ouders en school. Werk samen met de
school een pestactieplan uit. De afspraken op school kunnen ook thuis
gelden. (Bron : www.klasse.be
)
1.4. Ouders, de school en cyberpesten
Op het internet is veel informatie te vinden over hoe je met pesten op
school om kunt gaan (zie lijst met websites en de website
www.cyberpesten.be ). Er is informatie voor slachtoffers van pesten,
voor individuele ouders, voor individuele leerkrachten of voor school
als geheel. Waar het daarbij altijd hoort te gaan en veelal gaat is hulp
aan het slachtoffer en het vormgeven van beleid op school om pesten
terug te dringen en vervolgens voor te zijn. Elk kind heeft recht op een
veilige schoolomgeving. En wanneer er op school niet meer wordt gepest
hebben leerlingen én leerkrachten daar baat bij. Een middel om het
cyberpestenprobleem aan te pakken is het ter sprake brengen bij
ouderavonden of in de ouderraad op school. Hoe kunt u het onderwerp
'pesten' ter sprake brengen in de ouderraad van uw school?
Als u zelf niet in de ouderraad zit, kunt u aan iemand die daar wel deel
van uitmaakt, vragen om het aan de orde te stellen. U kunt ook
voorstellen om zelf het punt toe te lichten.
Als u zelf
deel uitmaakt van de ouderraad kunt u het onderwerp aankaarten in de
rondvraag. Voordeel daarvan is dat het niet meteen een zware lading
krijgt. Nadeel is dat aan het eind van de vergadering de meeste mensen
niet zoveel aandacht meer kunnen opbrengen. U kunt het ook als
afzonderlijk punt op de agenda laten opnemen, dan moet u tevoren overleg
plegen met de voorzitter of de secretaris. Samen kunt u dan bekijken wat
de handigste manier is om het onderwerp ter sprake te brengen.
Het is belangrijk om te bedenken wat u wilt bereiken met het aan de orde
stellen van dit punt.
Is er een directe aanleiding die vraagt om actie, bijvoorbeeld een
groepje kinderen dat andere kinderen pest? Vertel dan zo zakelijk
mogelijk wat er volgens u aan de hand is. Geef aan dat er naar uw indruk
spoedig iets moet worden ondernomen. Geef de andere ouders de kans om na
te denken over mogelijke oplossingen, maar let er wel op dat er concrete
afspraken worden gemaakt om actie te ondernemen.
Het kan ook zijn dat u vindt dat de school zich actiever moet
bezighouden met het onderwerp pesten, zonder dat daar een directe
aanleiding voor is.
Punten die u zou kunnen aangeven:
Pesten komt veel voor, vooral op scholen en waarschijnlijk ook op onze
school.
Kinderen die gepest worden gaan bang naar school. De angst voor anderen
blijft soms hun hele leven doorspelen.
Als school moet je ervoor zorgen dat kinderen zich veilig en prettig
voelen. Daarom zou er een actief anti-pest-beleid moeten zijn.
Onze school is niet de enige die zich hiermee bezighoudt (verwijs
hierbij naar scholen die een pestprotocol hanteren indien de school van
uw kinderen dat nog niet heeft).
Je kan gebruik maken van materiaal en ideeën die er al zijn,
bijvoorbeeld brochures laten zien of verwijzen naar websites. De website
www.klasse.be heeft zowel voor ouders als voor leerkrachten een katern
uitgebracht met informatie over cyberpesten..
Naar aanleiding van dit verhaal zal zeker een discussie ontstaan. Als je
merkt dat je idee ondersteuning krijgt, probeer dan te komen tot een
werkgroepje dat met voorstellen kan komen. Het kan een werkgroepje
worden van ouders of een gemengde werkgroep waar ook leerkrachten
inzitten.
Er zullen hoogstwaarschijnlijk opmerkingen komen over de ouders van
pestende kinderen die hun kinderen niet goed opvoeden, over gepeste
kinderen die meer van zich af moeten bijten en over het feit dat
kinderen nu eenmaal graag pesten. Ga daar niet te veel op in, maar houd
vast aan de stellingname dat de school verantwoordelijk is voor het
bieden van veiligheid aan de kinderen. Er zullen zeker ouders zijn die u
daarbij steunen.
1.5. Praten met de leerkracht
Pesten gebeurt veelal op school. Het is belangrijk om met de leerkracht
te gaan praten als u merkt dat uw kind wordt gepest op school of als u
zich zorgen maakt over de onveilige sfeer op school.
U doet er verstandig aan de leerkracht op te bellen of even langs te
gaan om een afspraak te maken. Daardoor merkt de leerkracht dat u het
belangrijk vindt om er over te praten. Zij of hij kan er dan echt de
tijd voor nemen.
Vertel dat u zich zorgen maakt over hoe de kinderen met elkaar omgaan.
Geef de leerkracht de gelegenheid om haar of zijn indruk te geven, maar
laat u niet van uw punt afbrengen. Als u zich zorgen maakt, heeft u er
recht op dat dit serieus wordt genomen.
Het heeft geen zin om de leerkracht te beschuldigen dat zij of hij het
niet goed doet. Het is wel belangrijk om het gevoel over te brengen dat
uw probleem ook het probleem van de leerkracht is. De beste uitkomst van
het gesprek is als u en de leerkracht afspreken om beiden aandacht te
zullen besteden aan het pestprobleem: de leerkracht op school en u
thuis.
1.6. (Cyber)pesten ernstig nemen
Pesten is geen eenvoudig probleem. Daarom lijkt het vaak onoplosbaar.
Toch is pesten wel te bestrijden als het serieus wordt genomen.
Dat betekent dat kinderen moeten weten dat ze om hulp kunnen aankloppen
bij de volwassenen om hen heen. Voor volwassenen betekent het, dat ze
aandacht moeten hebben voor de signalen van de kinderen. Ze moeten
luisteren naar wat de kinderen te vertellen hebben en daar over praten.
Voor leerkrachten en begeleiders van groepen in de vrije tijd betekent
het dat ze groepsgesprekken moeten voeren, regels moeten afspreken en
zorgen dat die regels ook werken.
Het pestprobleem wordt lang niet altijd serieus aangepakt: ouders zeggen
dat een kind maar van zich af moet bijten, leerkrachten hebben het te
druk en de trainer vindt het zijn verantwoordelijkheid niet.
Als volwassenen alleen af en toe ingrijpen, kan dat verkeerd uitpakken.
Gepeste kinderen worden daarna nog meer het slachtoffer omdat ze
'geklikt' hebben.
Daarom is het belangrijk om het pestprobleem degelijk aan te pakken.
Daarbij zijn alle betrokkenen nodig. Ieder van hen kan een begin maken
met het oplossen van het pestprobleem.
Kinderen die worden gepest kunnen beginnen door met hun ouders,
leerkrachten of andere vertrouwde volwassenen te gaan praten. Ze kunnen
ook om raad vragen, bijvoorbeeld bij de kindertelefoon.
Andere kinderen kunnen bij hun ouders of leerkrachten aankaarten dat er
gepest wordt.
Ouders kunnen met hun kinderen gaan praten en het probleem met andere
ouders, op school of in de speeltuin bespreken.
Leerkrachten kunnen het pesten als algemeen probleem regelmatig in hun
klas bespreken. Ze kunnen proberen in de klas een open en vriendelijke
sfeer te creëren. Concrete pestsituaties kunnen ze met de betrokken
kinderen bepraten. Samen met hun collega's kunnen ze werken aan een
schoolbeleid rond sociale regels en pesten.
De directie van een school of buurthuis, het bestuur, de ouderraad of de
medezeggenschapsraad kunnen de manier van omgaan bespreken en toewerken
naar een beleid daarover.
Begeleiders van groepen, trainers en anderen die te maken hebben met
kinderen buiten schooltijd, kunnen het pesten met de kinderen bespreken.
Ze kunnen proberen de samenwerking tussen de kinderen bevorderen.
Anderen, zoals de wijkagent of de schoolarts, kunnen sociale problemen
tussen kinderen die zij hebben geconstateerd aan de orde stellen in hun
contacten met scholen en buurthuizen. Ook kunnen zij door hun bijzondere
positie soms net een andere invloed uitoefenen op de kinderen dan
leerkrachten en begeleiders.
(Bron :
http://lessen.cyberstar.nl/ )
1.7. (Cyber)pesten en de media
De media (kranten, tijdschriften, televisie, film,…) kunnen een
positieve rol spelen in het verhelpen en sensibiliseren rond
(cyber)pesten. Elders schreven we dat pestspelletjes zoals Bully (of de
Belgische naam Canis Canem Edit) pesten in de hand werken door
pestgedrag als normaal en populair voor te stellen, ook al is de pestkop
in het betrokken spel niet zo’n negatief iemand als het spel
aanvankelijk liet uitschijnen. Berichten over de zin of onzin van deze
computerspelen, maar ook het in de media brengen van pestverhalen en het
wijzen op de dramatische gevolgen voor daders en de omgeving maar ook de
sancties die volgen voor de daders als het ontspoort, zijn positieve
signalen om pestgedrag onder jongeren te bestrijden. Het is dan ook toe
te juichen dat de VRT in het Eén-programma ‘Thuis’ pesten onder jongeren
expliciet onder de aandacht brengt. Los van de vraag in hoeverre
pestkoppen en gepeste jongeren naar deze soap kijken, is het onder de
aandacht brengen op zich een goede zaak om preventief op te treden, maar
ook om slachtoffers aan te sporen melding te maken van het probleem aan
ouders, leerkrachten of vertrouwenspersonen. Heel wat pestgedrag blijft
immers verborgen.
Het is niet de eerste keer dat Thuis inspiratie haalt uit een
maatschappelijk probleem. Vorig seizoen raakte Sophie, gespeeld door
Lien Van de Kelder, verslaafd aan drugs. Niet iedereen is het eens over
deze aanpak, al willen de betrokkenen vooral de discussie tussen ouders
en kinderen voor de buis een duwtje geven. Deze keer over steaming,
ofwel jongeren die elkaar geld afpersen onder druk van geweld. Het
schoolmagazine Klasse hielp de scenaristen met de research.
In de serie ‘Thuis’ is Kasper, de mysterieuze pleegzoon van Waldek
slachtoffer van pestkop Kevin. Waldek kreeg een bijzondere band met
Kasper omdat hij van Tsjetsjenië afkomstig is, waar zijn ouders gedood
werden. Omdat hij zich sedert enige tijd zo eigenaardig gedraagt, denken
Waldek en Rosa eerst dat het Tsjetsjeense trauma opnieuw de kop
opsteekt, want hij heeft er mensen zien doodschieten. Maar dat hij liegt
en steelt is typisch voor een slachtoffer van steaming want die moet
geld bijeenkrijgen voor zijn afpersers. Steaming begint vrij onschuldig,
eerst met wat verbale agressie. Maar het gaat dan van kwaad naar erger.
Kasper komt thuis met een blauw oog, zijn brooddoos wordt hem afgepakt,
de laatste dagen wordt hij afgeperst : hij moet met honderd euro op de
proppen komen, anders dreigen Kevin en zijn kompanen zijn paard, dat hij
zo graag heeft, iets aan te doen.
2. Aanpak van pesten op school
2.1. Getuigenis
Katrien
werd vorig jaar het slachtoffer van zware pesterijen in de klas. Op het
hoogtepunt durfde ze twee weken lang niet meer naar school, nu gaat het
weer beter met haar.
Het stinkt hier. Zullen we niet wat verderop gaan.'' Dat zeiden Katriens
(13) klasgenoten als ze bij hun groepje kwam staan. Na de lessen
lichamelijke opvoeding moest Katrien haar natte boekentas uit de douches
vissen. En bij het omkleden had ze heel de kleedkamer voor haar alleen,
want de anderen waren al vertrokken zonder haar. ,,Aan het begin van dit
schooljaar is het begonnen'', zegt Katrien. ,,Ik denk dat mijn
klasgenoten mij als slachtoffer hebben gekozen omdat ik meestal niks
durf terug te zeggen. Ik ben nogal stil.'' Het treiteren ging van kwaad
naar erger. Katrien zat in een klas van 20 leerlingen, waaronder een
paar echte pestkoppen. ,,Maar op een bepaald moment kozen ze allemaal
partij voor de pestkoppen, waardoor het voor mij nog moeilijker werd.''
De bom barstte toen Katriens beste vriendin opeens ook aan de kant van
de pesters stond. ,,Mijn vriendin had een los velletje aan haar vinger
dat bloedde. Ze kwam met opgeheven vinger naar me toe, om met opzet
bloedvlekken te maken op mijn broek.'' Huilend ging Katrien naar huis,
maar haar moeder vertellen wat er aan de hand was, wilde ze niet. Na
veel vragen van haar mama deed ze een paar dagen later toch haar
verhaal. Haar moeder was er het hart van in: zij was zelf altijd gepest,
en wist dus precies wat haar dochter doormaakte. ,,Mijn moeder heeft
meteen gezegd dat we een oplossing zouden vinden. Ze stelde voor om van
school te veranderen, maar dat wilde ik eigenlijk niet. Op deze school
kende ik alles, ergens anders zou ik helemaal opnieuw moeten beginnen.''
Katrien zag het allemaal niet meer zitten. ,,Ik ging naar de dokter en
die schreef me pilletjes tegen een depressie voor. Maar ik bleef
weigeren nog naar de klas terug te keren.'' Intussen trok Katriens
moeder aan de alarmbel. Ze lichtte de school in en samen besloten ze de
pesters apart te laten spreken met Katrien. ,,Op een avond zijn vier van
mijn klasgenoten naar ons thuis gekomen. Eerst wilde ik niet naar de
voordeur, omdat ik bang was dat ze weer vervelend zouden doen. Maar
daarna hebben mijn mama en ik gezegd dat we het niet leuk vonden zoals
ze mij behandelden.'' Toen Katrien daarna weer naar de klas ging,
verliep alles een stuk vlotter. ,,Mijn beste vriendin is gewoon weer
mijn beste vriendin. Ook de pesters zijn er grotendeels mee opgehouden.
Als we een groepswerk moeten doen, vragen ze soms of ik bij hen kom
zitten. Ze zullen nooit mijn beste vrienden worden, maar we kunnen
tenminste weer samen in de klas zitten.'' (Het Nieuwsblad 20/02/2006)
2.2.
Pesten is vooral een schoolaangelegenheid
Pesten
komt het meeste voor in de schoolomgeving. In het bovenstaande voorbeeld
gebeurde het pesten op school. Bij cyberpesten wordt het kind thuis
online gepest , maar dan nog vertrekt het pestgedrag meestal vanuit de
medeleerlingengroep van de schoolsituatie. Kinderen brengen immers de
meeste van tijd door op de schoolbanken en vriendschapsrelaties ontstaan
bij kinderen en jongeren bijna altijd vanuit de schoolsituatie. Daardoor
werkt het het beste als de school het pestprobleem detecteert en er iets
aan doet. Maar scholen voelen zich niet altijd verantwoordelijk voor wat
er buiten de schoolmuren gebeurt. Omdat cyberpesten zich meestal in een
virtuele wereld gebeurt, distantiëren nogal wat scholen zich van het
gebeuren. Men verbiedt dat GSM op school opstaat en sommige scholen
blokkeren de toegang tot chat of MSN en menen dat daarmee de
verantwoordelijkheid van de school eindigt.
Uit een studie bij 15-jarigen van het onderwijstijdschrift Caleidoscoop
blijkt er bij vele leerlingen een soort pestmoeheid opgetreden is. 17
procent van de leerlingen in de makkelijke klassen vindt het niet erg
dat er gepest wordt. (De Standaard 08/02/2006) In de moeilijke klassen
staat zelfs 23 procent neutraal tegenover pesten. Caleidoscoop is het
tijdschrift van de koepel van vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's)
( www.caleidoscoop.be ).
Hoofdredactrice Linda Graindourze koppelt aan het onderzoek een
waarschuwing voor de scholen en stelt dat veel leraars de inspanningen
tegen pesten op school beu lijken te zijn. Nochtans bewijzen volgens
haar deze gegevens dat blijvende aandacht nodig is. Ook de andere
reacties tonen niet bij iedereen verontwaardiging. Iemand uitlachen of
iemand tegen zijn zin iets laten doen, is blijkbaar bij het leven van
alledag beginnen horen. Leerlingen ervaren het als gewoon. In de
moeilijke klassen zijn er enkelen die het uitlachen uitdrukkelijk
toejuichen (6,5 procent). Eén op de vijf leerlingen staat er neutraal
tegenover.
In
moeilijke klassen ligt één op de vier leerlingen er niet van wakker. Op
de vraag of het goed is dat iemand bij pestgedrag durft tussenbeide te
komen, antwoordt één op de vijf leerlingen neutraal. In de gemakkelijke
klassen daalt dat aandeel tot 13 procent. Meer dan één op de drie
leerlingen blijft onverschillig wanneer een leerling een ander dwingt om
iets te doen wat die niet leuk vindt. In de gemakkelijke klassen zijn
dat ook nog een kwart van de leerlingen. Volgens Graindourze moeten
scholen ervoor zorgen dat ze niet te lichtzinnig met het fenomeen pesten
omspringen. Uit de cijfers blijkt dat zowel in moeilijke als in
makkelijke klassen pestgedrag niet zomaar afgekeurd wordt. Leerkrachten
gaan er dus best niet vanuit dat het vanzelfsprekend is dat iedereen
tegen pesten is. Het onderzoek doorprikt wel de stelling dat in een klas
die de boel op stelten zet, de leerlingen zich amuseren. Opvallend is
dat de zogenaamde macho’s, de leidersfiguren die de toon aangeven, niet
zo gelukkig zijn als men zou denken. Ze hebben een minder goede relatie
met de leerkrachten, zetten zich minder in voor hun taken en in de
moeilijke klassen voelen ze zich het minst goed op school. (HBvL
8/02/2006)
2.3.Impact van internet en email op schoolse leven „Huiswerk lijdt
onder internet”
Internet en andere digitale media hebben een enorme impact gekregen op
het schoolgebeuren. Niet alleen is er het probleem van het cyberpesten.
Het hele schoolse leren staat onder invloed van wat er zich op de
digitale snelweg afspeelt. Een onderzoek bij 1107 Nederlandse
leerkrachten geeft aan dat bijna alle leerkrachten van basis- en
middelbare scholen zich zorgen maken over de risico’s die leerlingen
lopen tijdens het gebruik van internet. Leerlingen zelf geven aan dat
vooral hun huiswerk lijdt onder hun internetgedrag. Het midden december
2005 in Nederland gepresenteerde onderzoek onder zowel leerlingen als
leerkrachten van basis- en middelbare scholen over het internetgedrag
maakte alvast één ding duidelijk: het wereldwijde web wordt niet langer
onbekommerd in de armen gesloten. Meer gesprekken over online fatsoen,
een betere opleiding van leraren en meer voorlichting aan ouders zijn de
meest genoemde wensen voor een veiliger internet. Scholen staan zeker
niet negatief tegenover internet. Integendeel : praktisch alle scholen
moedigen het aan. Twee op de drie scholen stimuleerden het gebruik van
internet. Bijna alle scholen hadden inmiddels ook toegang tot internet.
In de hoogste jaren de Nederlandse basisschool hadden de meeste
leerkrachten zelfs toegang tot internet in hun eigen klaslokaal (84 %).
Meer dan de helft van de scholen had een eigen internetprotocol.
De meest
voorkomende gedragsregels waren onder meer een verbod op het bezoek van
pornografische websites en grof taalgebruik. Minder dan de helft van de
scholen had een of meerdere filters geïnstalleerd. De meest gebruikte
filter was die op pornografische afbeeldingen. Relatief veel middelbare
scholen hadden filters op chatboxen en msn maar niet altijd om
pedagogische redenen. Vaak blokkeren scholen ook die programma’s omdat
ze het netwerk enorm belasten. Vrijwel alle leerkrachten gaven aan dat
ze kinderen tijdens de les wel eens informatie laten zoeken op internet.
Op de basisschool gebeurde dit meer dan in het middelbaar onderwijs.
Er werd in
de klas weinig gesproken over wat kinderen allemaal doen op internet:
slechts een kwart van de leerkrachten zei dit vaak te doen. Ondanks de
populariteit van internet was voorlichting over (on)veiligheid geen
structureel onderdeel van de lesprogramma’s. Bijna alle docenten vonden
dan ook dat hun school extra maatregelen moest nemen om de
internetveiligheid van leerlingen te verbeteren. Vrijwel alle docenten
vonden de voorlichting overigens primair een taak voor de ouders.
Leerkrachten maakten zich met name zorgen over internetrisico’s als
seksuele intimidatie en digitaal pesten. Ook de risico’s van seksuele
intimidatie baarden met name leerkrachten van middelbare scholen veel
zorgen (79 %). Bijna de helft van docenten van basisscholen was er
ongerust over dat leerlingen websites met pornografische afbeeldingen
bezoeken. Vooral middelbare scholieren maakten ook stiekem gebruik van
internet: twee op de drie leerlingen zei wel eens tegen de regels in
spelletjes te spelen, te msn’en of te mailen op school.
Gevraagd
naar het meest vervelende aspect van internetgebruik gaven leerlingen
aan dat ze vanwege internetten minder tijd hebben voor het maken van
huiswerk. Een kwart van de middelbare scholieren maakte dit zelfs vaak
mee. In totaal gaf 87 % van de leerlingen aan op internet regelmatig
vervelende dingen te beleven, zoals misbruik van wachtwoorden. De meeste
van de 1107 ondervraagde leerkrachten vonden van zichzelf dat ze genoeg
kennis hebben over internet om hun leerlingen optimaal te begeleiden.
Bijna de helft van de middelbare scholieren had nochtans het idee dat
hun leerkracht niet weet wat zij allemaal op internet doen. Vrijwel alle
leerkrachten maakten vaak gebruik van internet om te mailen of om
informatie te zoeken. Zowel leerlingen van de basisschool als middelbare
scholieren gebruikten internet vooral voor gamen, surfen, msn’en en
e-mailen. Msn’en was veruit de meest gebruikte internettoepassing onder
leerlingen: 84 % van de middelbare scholieren en 63 procent van de
basisscholieren gaf aan dit vaak te doen. (Reformatorisch Dagblad
14/12/2005)
2.4. Scholen zijn meer betrokken dan ze denken.
Scholen stimuleren leerlingen om internet te gebruiken en zelfs msn of
digitaal uitwisselen van informatie via digitale leeromgevingen wordt
aangemoedigd. Maar wanneer het gaat om misbruik van internet
bijvoorbeeld bij cyberpesten zijn er een aantal scholen die zich terug
trekken of aangeven dat deze zaken wanneer ze buiten de school gebeuren
niet tot de verantwoordelijkheid van de school behoren.
In de VS was er een casus waarbij een meisje van 13 jaar herhaaldelijk
via email gepest werd. “Je kent mij niet, maar ik zie en volg jou
overal. Bij jou thuis, op school, in de winkel, op straat, je kunt je
nergens meer veilig voelen…slaap met je ogen open, want op een dag zal
ik je aanvallen en dan ben je dood.” Het meisje kreeg zo herhaaldelijke
dreig-emails en lichtte ten einde raad haar ouders in. Die schakelden de
lokale politie in, maar slaagden er niet om de afzender van de emails te
traceren. Na maanden terreur, waarbij het meisje herhaaldelijke keren
ziek thuis bleef ontdekte men de afzenders. Het bleken vier van haar
klasgenoten. Ze hadden zichzelf verraden omdat ze haal mailden dat ze
beter dood zou gaan dan ziek zijn. Zo konden de speurders achterhalen
dat het ging om medeklasgenoten, want niemand anders wist dat het meisje
thuis was. De ouders klaagden de school aan omdat ze vonden dat deze
verantwoordelijk was voor al het leed, maar de school distantieerde zich
van het volledige gebeuren omdat er geen enkele mail van school uit werd
verstuurd. De vier betrokken jongens hadden alle mails van thuis of
vanuit een openbare bibliotheek verzonden. De school zelf had alle
maatregelen genomen om haar netwerk te beveiligen zodat het pesten niet
van daaruit kon gebeuren en had ook enkele lessen aan pesten gewijd. Het
kwam tot een proces, maar de ouders verloren dit omdat de school geen
verantwoordelijkheid in het hele gebeuren droeg.
In een ander voorbeeld onderging David Knight een gelijkaardige
nachtmerrie. Hij werd al lang gepest en geplaagd en na een tijdje werd
het offline pesten gevolgd door online pesten. David vertelde zelf aan
CBC National News dat hij het veel erger vond om via internet gepest te
worden dan dat het gewoon op school gebeurde. Studenten van zijn school
hadden een website opgezet die overladen was met spotfoto’s,
vernederingen, beledigingen, enz. Dit was erger dan even voor spot staan
in een cafetaria voor 30 medeleerlingen, nu stond hij voor spot bij
miljoenen internetgebruikers. Ook hier spanden de ouders een proces in
tegen de websiteprovider en de school. Het duurde zes maanden vooraleer
de website uit de ether werd gehaald en ook deze school had geweigerd om
haar verantwoordelijkheid te nemen omdat ze vonden dat dit zich louter
en alleen afspeelde in het privé-leven van de student en ze daar niet
voor konden sanctioneren in de school zelf.
(Shariff, 2004)
De meeste spraakmakende rechtszaken hebben tot nu toe alleen
plaatsgevonden in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De zaken
richtten zich vooral op de rol van scholen in pesterijen. Een
Amerikaanse rechter veroordeelde een school tot het betalen van een
miljoen dollar smartengeld. Een Engelse school moest ongeveer een ton
betalen aan een kind dat voortdurend door klasgenoten werd gepest. In
Nederland was er in 2001 een rechtszaak tegen de scholengemeenschap Het
Baken in Almere De dochter (20) en zoon (18) van mevr Van Tilborg,
allebei ex-leerlingen van deze school, waren jarenlang gepest. Ook al
drong Van Tilborg regelmatig aan op maatregelen, het pesten ging gewoon
door. Pas nadat haar zoon was overgestapt naar een school in Bussum
hield het pesten op. 'Maar nu nog steeds worden we met de gevolgen
geconfronteerd. Pesten is bepalend voor je lot.' De school in
Almere ontkende dat er een probleem was.
Deze voorbeelden illustreren de muur van verdediging die slachtoffers
ervaren wanneer ze op school een cyberpestprobleem signaleren. Shariff
(2004) noteert dat bij de gevoerde processen in de VS scholen steeds met
een defensieve houding naar buiten traden wanneer slachtoffers hun hulp
zochten. Scholen gaven aan dat ze juridisch niets konden doen tegen het
probleem en dat er op school zelf nooit problemen vastgesteld konden
worden en de betrokken daders zich daar voorbeeldig gedroegen. Ouders
van slachtoffers getuigden verder dat wanneer men leerkrachten of
administratieve medewerkers om hulp vroeg, deze dikwijls aangaven dat
het slachtoffer het pestgedrag zelf uitgelokt had, het probleem buiten
alle proporties werd opgeblazen door de ouders en het slachtoffer en men
het moest leren relativeren en dat de school geschreven een geschreven
anti-pestbeleid had voor pesten op school zelf. Nader onderzoek toonde
aan dat de Amerikaanse scholen vaak amper op de hoogte waren van hun
precieze verantwoordelijkheid wanneer er ernstige pestgedrag plaatsvond.
Ze hadden kasten vol met educatief materiaal om preventief met pesten om
te gaan, maar hadden geen strategieën waarin was genoteerd welke stappen
precies konden gezet worden als pestgedrag zich voordeed en zeker
wanneer dit buiten de schoolmuren gebeurde.
Gepest meisje krijgt forse schadevergoeding. ,,Ik kon niet door de gang
gaan zonder een gemene opmerking te moeten slikken of een duw te
krijgen." Vanaf haar vierde levensjaar werd de nu 23-jarige Sophie Amor
geplaagd omwille van haar gewicht, bespuwd en aangevallen. Na twaalf
jaar procederen heeft ze een schadevergoeding van 20.000 pond gekregen
omdat ze als kind jarenlang fysiek en geestelijk werd gepest op school.
Panische angstaanvallen en zweetbuien waren dagelijks mijn deel", zegt
Sophie Amor.
,,Na verloop van tijd sloot ik me helemaal af. Ik kon een knop omdraaien
waardoor ik in mijn eigen wereldje kon schuilen voor de ondraaglijke
realiteit rondom mij. Het was de enige manier om het vol te houden tot
aan de verlossende schoolbel." Sophie was amper negen toen ze probeerde
zelfmoord te plegen door een overdosis pillen in te nemen tegen
epilepsie. Op haar veertiende werd ze officieel als depressief
bestempeld en weggehaald uit het gewone schoolsysteem. ,,Ik zou wat ik
heb geen leven durven noemen", zei ze. ,,Ik besta.
Ik kom niet uit mijn huis uit vrees de pestkoppen tegen het lijf te
lopen. Ik haat mezelf om wie ik ben maar ik kan er tegelijk niks aan
veranderen." Sophies moeder Isabel (55) onderhield regelmatige contacten
met de schooldirectie maar zegt dat ze geïntimideerd werd door de
situatie. ,,Sophie is intelligent, maar in plaats van goede resultaten
te behalen op school was ze doodsbang om er in de buurt te komen."
Langzaam gleed het kind helemaal weg in zichzelf. Nu, twaalf jaar later,
heeft Sophie Amor 20.000 pond (ongeveer 12.000 euro) gekregen van de
gemeente Torfaen, de inrichtende macht van het schooltje.
De gemeente geeft toe dat haar verzekeraar een minnelijke schikking
heeft getroffen, maar ontkent de aansprakelijkheid voor het pestgedrag.
,,Alle scholen in Torfaen hebben stevige antipestplannen met duidelijke
richtlijnen." De Britse vereniging van gemeenten ziet een gevaarlijk
precedent in de regeling. ,,Het is nogal duidelijk dat honderden andere
mensen die vinden dat ze gepest werden, hun kans ruiken om ook een
schadevergoeding te bekomen. Maar de belangrijkste les die we hieruit
leren is dat pesten ernstig moet worden genomen door scholen, bedrijven,
lokale besturen en de hele maatschappij. We mogen het niet
minimaliseren." (Geert Neyt in De Standaard 22/02/2006)
Voor Vlaanderen en Nederland zijn er tot op heden geen juridische
precedenten naar jongeren inzake pestgedrag. In Canada was er een
juridische kwestie naar aanleiding van de zelfmoord van tiener Dawn
Marie Wesley. Dawn hing zichzelf op na een lange periode van gepest
worden. De directe aanleiding was een bedreigende telefoon via GSM. Haar
klasgenote die de fatale telefoon deed, getuigde dat ze niet de intentie
had om Dwan te kwetsen toen ze haar toeschreeuwde ‘You’re fucking dead!’.
De lokale rechtbank Britisch Columbia Supreme Court creëerde een
precedent door te bepalen dat verbale vernederingen en beledigingen
onder het Canadese strafrecht vallen indien het slachtoffer zich
effectief door de verbale boodschap bedreigd voelt en er daardoor
slachtoffers vallen. Het meisjes was minderjarig, maar ouder dan 16
zodat ze een voor haar leeftijd aangepaste veroordeling opliep door de
rechtbank. De rechtbank oordeelde dat haar verbaal gedrag mede oorzaak
was voor de dood van het slachtoffer.
In België
zijn er geen gelijkaardige gevallen bij jongeren bekend, maar is er wel
het verhaal van de postbode David van Geysel die in 2000 zelfmoord
pleegde. In een afscheidsbrief stelde hij dat het gepest van zijn
collega's niet meer aankon en dat hij geen gehoor vond bij zijn
superieuren. Van Gysel moest stelselmatig de zwaarste rondes rijden en
werd voortdurend op de huid gezeten door zijn collega's. Later bleek dat
zijn klachten niet op de juiste bureaus terechtkwamen. De ouders van de
jongen dienden klacht in tegen de postmeester, diens adjunct en vier
postbodes. Ondanks gesus van de postdirectie bevestigt in juni 2001 het
Brusselse parket dat de jongeman wel degelijk op zijn werk gepest werd
en dat hem dat tot zijn wanhoopsdaad kan hebben gedreven.
Op 14 januari 2002 worden zes collega's van de jongeman én De Post zelf
door de Brusselse onderzoeksrechter Bruno Bulthé in verdenking gesteld
voor stalking en het niet verlenen van hulp aan een persoon in nood. Op
20 januari 2004 krijgen de vijf na een lange juridische procedureslag
een zwaardere straf dan het Openbaar Ministerie heeft geëist: vier
krijgen 22 maanden voorwaardelijk, de vijfde 18. Volgens Jef Vermassen,
raadsman van de ouders, betekent het vonnis een scharnierpunt in de
rechtspraak: "Het is de eerste maal dat in een dergelijke zaak een
uitspraak komt en het vonnis kan een grote steun zijn voor wie gepest
wordt." De Post zelf wordt veroordeeld tot de gevorderde boete van
240.000 euro.
Voor kinderen en tieners is er geen gelijkaardig feit bekend. Wanneer
jongeren zelfmoord plegen, ook al worden ze gepest wordt daar meestal
niets verder mee gedaan. Het is immers moeilijk te achterhalen of het
pesten de enige aanleiding was en hoe erg het pesten ingewerkt heeft. De
band tussen het pesten en de zelfmoord moet specifiek aangeduid worden
en dit is dikwijls een onmogelijke opdracht. Verder worden jongeren door
het huidige (Belgische) tolerante jeugdsanctierecht zelden tot nooit
veroordeeld, zelfs niet bij zwaardere misdrijven. Scholen werden ook in
België en Nederland nooit rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor
pestgedrag onder leerlingen en het niet ingrijpen daarbij.
Ook in de VS waar er veel meer onderzoek hierrond is gebeurd, is het
niet altijd duidelijk hoe rechtbanken op pestgedrag van jongeren
reageren. In één case, de Rudd v Pulaski Country Special School, werd
deze niet veroordeeld om dat het hof oordeelde dat de school niet de
plicht heeft om continu en onder alle omstandigheden leerlingen tegen
elk misbruik en pestgedrag te beschermen.
Anderzijds noteerde Shariff (2004) dat de Amerikaanse rechtbanken wel
degelijk rekening houden met de houding die scholen en leerkrachten
aannamen in elke situatie van zelfmoord na psychologische terreur. Er
werd grondig nagepluisd of de scholen niet nalatig waren geweest en
gepast hadden gereageerd op gesignaleerd pestgedrag of er een
schoolbeleid rond pesten bestond, enz. Maar tot een veroordeling van een
school was het nog nooit gekomen.
2.5. Pestprotocollen, pestcontracten.
Bijna elke
zichzelf en de leerlingen respecterende school heeft wel iets op papier
gezet om het pesten tegen te gaan. Ook de Hengelose scholengemeenschap
De Grundel, die nu door de ouders van leerlinge Joyce Poort dreigt te
worden aangeklaagd. Joyce zit al bijna drie jaar thuis. Eerst werd ze
ziek gepest door klasgenoten, daarna raakte ze verdwaald in het
hulpverleningscircuit. Toen Joyce door klasgenoten gepest werd, heeft de
school naar eigen zeggen onmiddellijk pestcontracten opgesteld en de
pesters aangesproken. In zo'n contract wordt beloofd elkaar met rust te
laten. Maar helpt zo'n instrument ook? Nee, zegt drs. Bob van der Meer.
De oud-leraar lichamelijke oefening uit den Bosch is psycholoog bij het
Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Hij schreef verschillende methodes,
programma's en boeken over pesten, waaronder School en geweld; oorzaak
en gevolg. Ook is hij nauw betrokken bij de website www.pesten.net, die
in het vijfjarig bestaan al meer dan vijf miljoen bezoekers gehad. Van
der Meer constateert dat pesten op veel scholen onvoldoende wordt
aangepakt. ,,Hoe gaat het vaak?
Ouders
klagen dat hun kind wordt gepest. De school komt met een pestproject,
een interventieprogramma of een pestcontract, en gaat daarna weer over
tot de orde van de dag. Na verloop van tijd melden ouders zich weer,
want hun kind heeft nog steeds last van nachtmerries. Wat zegt de school
dan? Mevrouw en meneer, we kunnen niet de hele dag met pesten bezig
zijn.'' Volgens Van der Meer blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat
zo'n ad hoc-aanpak niet werkt. Een mentor moet structureel, dus
wekelijks, bezig zijn met normen en waarden in de klas. Vanaf dag één.
,,Hij stelt samen met de leerlingen de regels op waaraan iedereen zich
moet houden. Hij spreekt met hen af wat de sancties zijn bij
overtreding. De norm is dat je bepaald gedrag niet tolereert, de waarde
is veiligheid. De regels stop je in een envelop, iedereen bewaart het in
zijn agenda en je komt er elke week op terug.'' Van der Meer heeft een
lespakket ontwikkeld dat werkt, zegt hij zelf. Een pilotproject in
Rotterdam heeft dat bewezen. Elke week werden in de eerste vijf minuten
van de les de gezamenlijk opgestelde regels besproken. ,,De leerlingen
kwamen zelf met concrete voorbeelden over roddelen of intimidatie. Je
klikt immers niet, als je erover praat. Problemen worden op die manier
meteen bespreekbaar. En oplosbaar.''
Zonder zo'n aanpak zal het aantal (aan)klachten van ouders alleen maar
toenemen. In 1992 dreigde een vader van een school in Noord-Nederland al
met een rechtszaak als de school niets zou doen tegen het pesten van
zijn zoon. Eerder dit jaar trof scholengemeenschap Het Baken in Almere
een schikking met klagende ouders. Onlangs maande de rechter een school
in Amerongen tot een antipestbeleid. En nu stelt de vader van het gepest
meisje uit Hengelo de scholengemeenschap De Grundel aansprakelijk voor
de geleden schade. Nieuwe claims zijn onvermijdelijk, vreest Van der
Meer. (Nederlands Dagblad 04/11/2003)
Tot voor enkele jaren was het pestprobleem in vele scholen onbesproken.
Er werden natuurlijk mensen gepest op school, maar daar zweeg men liever
over. De jongste jaren is er veel onderzoek naar verricht, er werd veel
over geschreven en er kwamen actieprogramma's. Maar daarmee is de zaak
niet opgelost. Integendeel, even een lesuur praten over pesten op school
lost meestal niet op. Pesterijen kunnen vaak heel ver gaan en het kan
lang duren voor er een oplossing in zicht is.
2.6. Leerkrachten treden niet altijd op.
Dan is de vraag : wat kunnen scholen eraan doen? Merken de leraars
niets? Valt het niet op dat een kind in de klas uitgesloten of gepest
wordt? De leraars merken uiteraard pesterijen op. Negentig procent van
hen werd geconfronteerd met leerlingen die elkaar pesten. Slechts tien
procent zag geen of minder pesterijen op school. 45 % signaleerde een
(sterke) stijging tijdens de voorbije vijf jaar. De meeste pestkoppen
zaten in de eerste graad secundair onderwijs en in de hoogste jaren
lager onderwijs. Toch werd ook één kleuterleider op drie de jongste
jaren (veel) meer geconfronteerd met pestende kleuters. (Klasse, juni
1997 ). Het blijft dan de vraag of de leraar ook ingrijpt. Soms vrezen
leraars dat ze de zaak alleen maar gaan verergeren. Dat doen ze in ieder
geval als ze zwijgen, niet ingrijpen of erger nog gewoon meelachen met
de pestkoppen. Vaak hoor je uitdrukkingen zoals : het slachtoffer heeft
het ook een beetje zelf gezocht.
De leraars merken niet alleen hoe het aantal pesterijen bij leerlingen
toeneemt. Ze zeggen ook dat er meer leraars zelf slachtoffer worden van
leerlingen die hen de duivel aandoen. Zestig procent van de leraars
signaleert zulke praktijken. Eén derde van hen zegt dat ze de voorbije
vijf jaar (sterk) zijn toegenomen. Ook hier zijn de uitschieters de
eerste jaren secundair onderwijs en de hoogste jaren lager onderwijs. In
veel gevallen wordt hier echter niet over gepraat.
Wie geen slachtoffer is, haalt opgelucht adem. Leraars bij wie de
leerlingen soms het bloed onder de nagels uithalen, voelen zich vaak aan
hun lot overgelaten: schuldig en zwak. Ook in het hoger onderwijs wordt
volgens Klasse nog stevig gepest, zij het minder dan elders. 80 % van de
docenten merkt het op tussen studenten. Eén vierde van hen signaleert
een (sterke) stijging. 70 % wordt geconfronteerd met studenten die
docenten proberen te pesten. Al zijn er op dit vlak meer docenten die
dat verschijnsel zien afnemen (16 %) dan toenemen (14 %).
,,Het stinkt rond jou, zeiden ze'' Driekwart van de Belgische jongeren
krijgt wel eens te maken met pesterijen op school, maar meestal blijven
die vrij onschuldig. Anders wordt het als je elke dag je boekentas uit
een plas moet vissen, of je klasgenoten voortdurend weigeren met je te
praten. Katrien (13) maakte het vorig jaar mee. Door het anti-pest-plan
van haar school is het tij nu gekeerd. Katrien en directeur Yves Beken
over hún kant van het pestverhaal.
De middenschool van campus Russelberg in Tessenderlo werd tijdens de
Vlaamse antipestweek 19 tot 24 febr.2006 genomineerd voor de Vlaamse
antipest-prijs. ,,Het lukte in ieder geval om de pesters van Katrien op
andere gedachten te brengen'', zegt directeur Yves Beken. Het begint
eigenlijk al met preventie tegen pesten. Het is beter als je nooit hoeft
in te springen omdat iemand gepest wordt'', vertelde directeur Yves
Beken. ,,Wij werken daarom met een smiley-systeem .
Dat houdt in dat leerkrachten bij elke rapportperiode een groen of een
rood gezichtje - een smiley - uitreiken aan de klassen. Een groen
gezicht betekent dat de klasgenoten goed zorg dragen voor elkaar, een
rode dat er gepest is. De klas die op het eind de meeste groene smileys
verzameld heeft, krijgt een beloning. Dat kan een uitstapje zijn, of
taart.'' Het preventiesysteem slaat vooral aan bij de jongste klassen en
zorgt dat het pesten in de kiem gesmoord wordt. ,,Het moeilijkste om mee
te werken, zijn de pesterijen die al jarenlang aan de gang zijn. Af en
toe krijgen we een leerling die al van de lagere school, of soms zelfs
vanaf de kleuterklas, het mikpunt is van getreiter. Zulke situaties
proberen we te vermijden met ons preventiesysteem.''
Vanzelfsprekend blijven er ook pesters die zich niet laten afschrikken
door rode gezichtjes . ,,Bij echte pesterijen passen we de no blame
(geen beschuldiging) methode toe. Die methode steunt op drie regels: het
pesten moet stoppen, niemand wordt beschuldigd of bestraft, en iedereen
is verantwoordelijk voor het stoppen van de pesterijen.''
De no blame-methode probeert vooral de passieve middengroep te
mobiliseren: vaak zijn er in een klas een paar echte pestkoppen die
denken dat ze populair worden door te pesten. Als de grote middengroep
duidelijk maakt dat ze hun pestgedrag niet op prijs stellen, verliezen
de pesters meteen hun podium. En stoppen ze sneller met hun
getreiter.”,In het geval van Katrien was het pesten al ver gevorderd
voor ze een leerkracht erover in vertrouwen durfde te nemen. Op dat
moment heeft preventie natuurlijk geen zin meer, maar moet je er alles
aan doen om het pesten te stoppen. We hebben de vier pesters gevraagd om
thuis met Katrien te gaan praten, zodat ze beter begrepen wat ze
aanrichten. Haar klasgenoten zijn op die vraag ingegaan, en iets later
kwam Katrien ook weer naar school. Intussen gaat het een stuk beter met
haar.'' (Het Nieuwsblad 20/02/2006)
Pesten onder tieners kan onschuldig lijken, maar heeft meestal niets
meer van doen met een eenmalige plagerij over-en-weer, waarbij nu eens
de ene en dan weer de andere de plager is. Pesten is een volgehouden
plaaggedrag, dat gericht is op een bepaald slachtoffer met de bedoeling
deze persoon zwaar te treffen en te vernederen. En die pesterijen houden
niet vanzelf op. Hoewel cyberpesten vaak vanuit thuiscomputers of via
eigen GSM gebeurt buiten de schooluren, heeft de school toch een
verantwoordelijkheid hierin. Pesten op school verdient een systematische
aanpak. Er zijn al succesvolle strategieën en goede praktijkvoorbeelden
ontwikkeld om een anti-pestbeleid op school uit te stippelen omtrent
klassieke pestsituaties. In diverse boeken en pakketten zijn
verschillende strategieën ontwikkeld om het pestprobleem aan te pakken.
Ook ten aanzien van cyberpesten kan de school een grote
verantwoordelijkheid opnemen en veel onheil voorkomen, ook al gebeurt
het pesten zelf buiten de eigenlijke schooltijd.
2.7. Pesten voorkomen
Het
allerbelangrijkste wat de school echter kan doen is het cyberpesten
zoveel mogelijk trachten te voorkómen. Eerst en vooral moet de school
zelf een beleid ontwikkelen waarin precies wordt aangeduid welke stappen
genomen moeten worden wanneer er klachten ingediend worden. In de school
moet een vertrouwensleerkracht aangesteld worden die elke zaak ernstig
neemt, hoe banaal het ook is. Wanneer het over cyberpesten gaat kan
betrokkene de ICT medewerker inschakelen om te zoeken van waar en van
wie pestgedrag komt. Zeker als het pestgedrag van op school vertrokken
is, is dit belangrijk, maar ook daarbuiten kan de school behulpzaam zijn
bij het helpen onderzoeken van waar pestberichten komen of hoe
pestboodschappen op internet verwijderd kunnen worden. Wanneer een kind
een provider contacteert, heeft dit meestal weinig impact, maar wanneer
een school uit hoofde van een ICT-coördinator of directie contact
opneemt heeft dit meestal meer impact. Soms maken pestkoppen anonieme
websites aan in de VS of op afgelegen eilanden. Wanneer vanuit de school
een klachtmail of klachtfax vertrekt, kan er sneller worden opgetreden.
De school mag zeker ook niet aarzelen de thematiek in de klasgroep ter
sprake te brengen, ook al gebeurt het pesten buiten de schooluren, omdat
het meestal toch wel uitgaat van de directe klasgenoten en het
cyberpesten vaak niet beperkt blijft tot alleen maar digitaal uitdagen.
Alerte en bekommerde leerkrachten hebben snel door dat iemand in de klas
gepest wordt en kunnen daar een ernstig klasgesprek over voeren.
Maar een leerkracht kan ook nog verder gaan. Elke leerkracht moet ervoor
zorgen dat haar of zijn klas een veilige en aangename plek is.
Belangrijk is daarbij het voorbeeld dat de leerkracht zelf geeft. Een
leerkracht die de leerlingen laat uitpraten, naar ze luistert, er niet
bij voorbaat van uit gaat dat hij zelf gelijk heeft en die de leerlingen
complimenten geeft, krijgt ongemerkt navolging: goed voorbeeld doet goed
volgen. Ook is het belangrijk als de leerkracht een duidelijke houding
heeft bij conflicten tussen de leerlingen onderling. Om sociale
vaardigheden te verwerven moeten de leerlingen in eerste instantie
proberen zelf hun onderlinge problemen op te lossen. De leerkracht laat
dan merken dat zij/hij vertrouwen heeft in de leerlingen. Als de
leerlingen er onderling niet uitkomen of als bepaalde leerlingen het
onderspit delven, moet de leerkracht de leerlingen helpen bij het zoeken
van een oplossing. Ook moet zij/hij de signalen van gepeste leerlingen
kunnen herkennen en daar op reageren.
2.8. Veilig in de groep
In elke groep zitten kinderen of jongeren die gemakkelijk, minder
gemakkelijk en soms zelfs moeilijk met anderen om kunnen gaan. Als de
sfeer in de groep veilig is, gaan al die verschillende kinderen graag
naar de muziekles of de voetbaltraining. Ze weten dat er niet alleen met
de sterksten rekening wordt gehouden maar met iedereen. In hun groep is
het de gewoonste zaak van de wereld dat je het voor elkaar opneemt als
iemand problemen heeft. Bovendien geeft de trainer of de begeleider het
goede voorbeeld. In een groep met zo'n veilige sfeer krijgen pesters
weinig kans: andere kinderen komen het slachtoffer te hulp.
De sfeer in een groep kan ook onveilig zijn. Andere kinderen durven het
dan nauwelijks voor het gepeste kind op te nemen. Ze kunnen niet rekenen
op de hulp van de aanwezige volwassene. Ze zijn bang om uitgelachen te
worden en niet meer bij de groep te horen.
Er wordt wel eens beweerd dat elke groep een zondebok nodig heeft. Dat
is niet waar. Zondebokken vind je wel vaak in groepen waar wat mee aan
de hand is. Bijvoorbeeld op een sportclub waar agressief gedrag normaal
is en waar niet door de trainer wordt ingegrepen. Of in een buurthuis
waarin kinderen weinig persoonlijke aandacht krijgen. Het kan ook zijn
dat er te veel nadruk ligt op presteren: de beste moeten zijn bij ballet
of de meeste doelpunten moeten scoren. Kinderen zijn daardoor
voortdurend met elkaar in concurrentie. Ze werken bijna nooit samen. In
zulke hebben kinderen iemand nodig om hun onvrede op af te reageren. De
begeleider of trainer doet er goed aan de samenhorigheid te bevorderen.
Bijvoorbeeld door af en toe iets gezelligs te doen met de groep als
geheel en door positieve opmerkingen te maken, ook over de kinderen die
niet supergoed zijn in dansen of voetballen. Groepen die onveilig zijn
hebben altijd een slachtoffer (zondebok). Dit komt doordat de kinderen
hun onvrede over iets of iemand niet bij de juiste persoon kwijt kunnen.
Toch willen zij hun onvrede uiten en kiezen hiervoor een weerloos
persoon.
Zo’n groep kun je vergelijken met een mobiel. In een groep heb je
rollen. Voor elke rol is er iemand nodig. In een onveilige groep heb je
ook de rol van zondebok. Mocht deze zondebok wegvallen doordat deze
weerbaar is geworden. Dan wordt zijn plaats ingenomen door een andere
persoon die dan zondebok wordt. Zo blijft de mobiel in evenwicht.
(Bron :
http://lessen.cyberstar.nl/ )
Het is een misverstand ervan uit te gaan dat een goede groepssfeer te
danken is aan de leerkracht en dat een slechte sfeer te wijten is aan
een paar etterbakken in de groep. Er is altijd sprake van een samenspel
met de leerkracht in de rol van spelverdeler. Dat betekent dat de
leerkracht evenveel gewicht in de schaal legt.
• Leerkrachten met een positieve houding blijken een gunstige uitwerking
op de groepssfeer te hebben:
• Ze leggen verhoudingsgewijs meer nadruk op de vorderingen van
leerlingen dan op hun tekortkomingen;
• Ze tonen vertrouwen in de ontwikkeling van leerlingen: hoge maar niet
onrealistische verwachtingen stimuleren het zelfvertrouwen van
leerlingen;
• Ze gaan uit van de goede bedoelingen van leerlingen totdat het
tegendeel blijkt.
2.9. Aanpak van pesten op school
1. Positionering
De pester is vaak in staat om het slachtoffer de mond te snoeren door
middel van allerlei dreigementen. Het slachtoffer is ook vaak bang dat
de pesterijen erger zullen worden, of nog meer in het geheim zullen
plaatsvinden, als hij met zijn verhaal naar buiten zal treden.
Er kunnen echter ook andere persoonlijke redenen zijn waarom het
slachtoffer niet met zijn of haar verhaal naar buiten wil komen.
Het slachtoffer schaamt zich meestal, is bang dat zijn uiting als
verraad voor de groep wordt aanzien,
is misschien al van jongs af aan als zondebok behandeld en is dit als
normaal gaan beschouwen.
De getuigen van pesterijen durven niet in te grijpen. Dit gebeurt uit
angst voor allerlei mogelijke negatieve gevolgen. Bij deze getuigen gaat
het niet alleen om klasgenoten, maar ook om leerkrachten.
De omstanders van de pestpraktijken zijn onder te verdelen in meerdere
groepen:
-zij die actief mee pesten uit angst om zelf slachtoffer te worden,
-zij die actief mee pesten omdat ze er op de één of andere manier
voordeel bij hebben,
-zij die niet mee pesten, maar ook niet durven reageren, hoewel ze dat
vaak eigenlijk wel zouden willen,
-zij die niet in de gaten hebben wat zich in de klas afspeelt.
In feite zijn dus vaak de meeste leerlingen op de hoogte van het pesten,
maar durft niemand er met buitenstaanders over te praten. Dit wordt ook
wel het mechanisme van "samenzwering om te zwijgen" genoemd.
Die "samenzwering om te zwijgen" is eigenlijk weer het gevolg van een
ander mechanisme: het zogenaamde "omstanderdilemma". Dit
"omstanderdilemma" is een innerlijke tweestrijd waarin omstanders
terechtkomen als ze met machtsmisbruik te maken krijgen: "Durf ik er
iets tegen te doen, of moet ik er voor mijn eigen veiligheid toch voor
kiezen om niets te doen?" Kiezen om niets te doen kan wel veilig zijn,
maar mensen kunnen dit ook weer laf van zichzelf vinden en met een
gevoel van schuld blijven zitten. Het pestslachtoffer wordt soms zelf
ook als schuldige beschouwd.
Dit houdt in dat getuigen het slachtoffer voor een deel zelf schuldig
beschouwen om gemakkelijker hun eigen schuldgevoel weg te duwen. Men
gaat ervan uit dat de gepeste anders is dan de groep. De omstanders zijn
niet zo, zij lopen dus geen gevaar om gepest te worden denken ze. Ze
willen de illusie van de veilige wereld. Kortom: pesters, slachtoffers
en getuigen (mogelijk ook leerkrachten) doen er vaak het zwijgen toe. Zo
krijg je een soort van ontkenning van de werkelijkheid, blijft pesten
vaak verborgen (mogelijk voor de school maar zeker voor de ouders),
wordt er niet van buitenaf ingegrepen en duurt het allemaal nog langer
voort. Pesten is geen probleem dat zich gemakkelijk laat oplossen.
Pesten speelt zich vaak in het verborgene af en dat alleen al maakt het
moeilijk om er greep op te krijgen. Maar zelfs als pesten opgemerkt
wordt, weten leerkrachten en andere betrokkenen vaak niet wat ze er mee
aanmoeten. Toch kunnen scholen wat tegen pesten doen. Pesten kan door
middel van allerlei maatregelen tegengegaan worden. Daar waar scholen er
serieus hun best voor doen, maakt dit een wereld van verschil. Het is
wel belangrijk dat de juiste informatie voor handen is en dat de
leerkrachten en de schoolleiding bereid zijn echt iets aan pesten te
doen. Leerkracht zijn is niet gemakkelijk. Onderwijzen vergt veel inzet,
geduld en incasseringsvermogen. Het gaat nu eenmaal niet alleen om het
overdragen van vakmatige kennis en vaardigheden. Leerkracht zijn
betekent ook het doen en laten van een groep jonge mensen in goede banen
proberen te leiden. Daarbij gaat het niet alleen om hoe de leerlingen
zich tegenover de leerkracht opstellen, het moet ook gaan om goede
verhoudingen tussen leerlingen onder elkaar. Niet alleen omdat het
lesgeven op die manier beter verloopt, maar ook als doel op zich:
meehelpen te zorgen dat leerlingen gewoonweg gelukkig kunnen zijn. Het
tegengaan van pesten is zeker geen taak van de leerkracht alleen. Maar
de leerkracht heeft wel een centrale positie. Zonder de kennis van zaken
en inzet van de leerkracht is het onmogelijk het pesten een halt toe te
roepen.
2. Het tegengaan van pesten, een taak van de school?
Scholen zijn er om kinderen kennis en vaardigheden bij te brengen.
Daarvoor is concentratie nodig; leerlingen moeten "bij de les" blijven.
Onder normale omstandigheden is het vasthouden van de concentratie voor
de leerkracht vaak niet gemakkelijk. Als pesterijen in de klas de lessen
verstoren, heeft iedereen er een direct belang bij om hier iets aan te
doen. Maar pesten is juist ook iets wat lang verborgen blijft en waarvan
misschien alleen het topje van de ijsberg waarneembaar is. De leerkracht
heeft er dan zelf niet direct last van en ervaart het slechts later.
Het aanpakken van pesten is wellicht niet de hoofdtaak van de
leerkracht, maar het is een noodzaak dat de leerkracht zich hier op de
één of andere constructieve manier mee bemoeit. Als de leerkracht
afzijdig blijft, heeft het weerloze pestslachtoffer vaak geen schijn van
kans om uit zijn ellendige situatie te ontsnappen.
Vanzelfsprekend is de draagkracht van de leerkracht ook eindig. Toch
heeft deze als mens wel de verantwoordelijkheid om tenminste de
pestproblematiek niet naast zich neer te leggen, het slachtoffer
duidelijk te maken dat zijn probleem gezien en erkend wordt, de pester
duidelijk te maken dat zijn gedrag onaanvaardbaar is, melding te maken
van de situatie aan alle partijen die misschien meer kunnen doen dan de
leerkracht zelf. Ook al heeft de leerkracht niet altijd een direct
eigenbelang bij het oplossen van pesterijen; voor de schoolleiding ligt
dat anders. Ouders en kinderen zijn niet gebonden aan één school. Zij
zijn als het ware "consumenten" van onderwijs. Zij kunnen beslissen de
school die de pestproblematiek niet serieus aanpakt uit de weg te gaan.
Als ouders en kinderen zich meer bewust worden van het belang van
veiligheid op school en er steeds meer informatie beschikbaar komt over
hoe scholen hiermee omgaan, riskeren scholen die te weinig tegen pesten
doen "marktaandeel" te verliezen. Voor een succesvol antipestbeleid is
het belangrijk dat de schoolleiding zich hier op een opbouwende manier
mee bezighoudt.
De schoolleiding moet zich bewust worden van de problemen, zich bewust
worden van de mogelijke oplossingen, duidelijk maken wat ze wil en gaat
doen, ook daadwerkelijk de daad bij het woord voeren.
Traditioneel wordt als een oplossing voor pesten gezien dat het
slachtoffer voor zichzelf op moet leren komen. Het probleem is dubbel.
Eerst en vooral kan je dit het slachtoffer niet zo snel en gemakkelijk
aanleren, zeker niet als hij of zij al veel pesterijen te verduren heeft
gehad. Maar al zou het slachtoffer er in slagen om van zich af te leren
bijten, dan nog is dit geen echte oplossing. Waarschijnlijk zal de
pester immers naar een nieuw slachtoffer op zoek gaan en zo beginnen de
problemen van voren af aan. Ten tweede ligt de oorzaak bij de pester en
is het noodzakelijk die eerst op te sporen en te remediëren.
Naast "voor jezelf op leren komen" wordt overplaatsing van het
slachtoffer naar een andere klas traditioneel ook als een mogelijke
oplossing gezien. Overplaatsing kan een oplossing zijn, maar kan het
probleem ook verergeren. Nieuwkomers in een klas worden immers vaak als
indringers gezien en lopen daardoor een grote kans op een onvriendelijke
ontvangst. De kans is groot dat de overgeplaatste leerling dit als een
vernedering ervaart en verder dichtklapt. Tevens bestaat het risico dat
de pester een gevoel van "triomferen" heeft, waardoor zijn pestgedrag
eerder aangemoedigd dan verholpen wordt.
Waar het in het tegengaan van pesten uiteindelijk allemaal om draait, is
het veranderen van de houding en mentaliteit van iedereen. "Pesten kan
niet, punt uit!"
Leerlingen moeten leren dat geweld, of het passief laten gebeuren, niet
door de beugel kan en maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag is.
Leerlingen zullen hun gedrag echter niet zomaar uit zichzelf veranderen.
Alleen onder goede begeleiding van de leerkracht en in een goed
schoolklimaat kan verandering plaatsvinden. Daarvoor is het van belang
dat de leerkracht en de schoolleiding een verzameling hulpmiddelen heeft
om pesterijen te signaleren, te bestrijden en te voorkomen.
Natuurlijk weten de leerkracht en de schoolleiding ook niet altijd
alles. Daarom moeten er vangnetten zijn voor gevallen waarin pesten toch
de kop op blijft steken. Op de school kunnen deze vangnetten de vorm
aannemen van een vertrouwenspersoon (CLB of … ), een klachtencommissie
en -procedure.
Vaak wordt er in de literatuur onderscheid gemaakt tussen een curatieve,
preventieve en repressieve aanpak. Curatief staat dan voor het
ontwikkelen van een strategie om pesten te stoppen. Preventieve
activiteiten zijn erop gericht het verschijnsel bespreekbaar te maken in
een volledige school, waar (ernstige) vormen van pesten zijn vastgesteld
en repressief betekent dat er sancties kunnen genomen worden indien de
vorige aanpakken niet werken. (Bron :
www.sasam.be )
3. Pesten aanpakken
Pesten is een realiteit voor alle scholen. De school heeft daarom
doelstellingen op korte en lange termijn nodig. Op korte termijn
ontwikkelt de school een strategie de pesterijen onmiddellijk een halt
toeroepen. Deze strategie steunt op de volgende mechanismen:
-bevorderen van empathie,
-ontwikkelen en opvolgen van een consistente omgevingscontrole,
-modelleren van alternatief gedrag,
-vereenvoudigen van alternatief gedrag.
Op lange termijn grijpt de school in op de achtergrondfactoren bij
pestkoppen en gepeste kinderen en schept daardoor een klimaat van een
pestvrije omgeving. Deze lange termijnvisie moet opgenomen worden in het
schoolwerkplan. Dit alles speelt zich af op verschillende niveaus:
school, klas en individu. Voor deze 3 belangengroepen gelden de volgende
krachtlijnen:
a.Informeren en sensibiliseren van leerlingen, leerkrachten, overig
schoolpersoneel en ouders wat betreft de bevordering van de alertheid
voor signalen van niet welzijn in het algemeen en van pesten en gepest
worden in het bijzonder.
b. Signalering van (mogelijke) pesterijen aanmoedigen
c. Ontwikkelen van maatregelen om gelegenheden tot pesterijen te
voorkomen zoals:
o Een verhoogd doelgericht toezicht
o Wijzigingen in de organisatie van de speelplaats of de speeltijd
o Wijzigingen in de begeleiding bij het leerlingenvervoer
o Wijzigingen in de organisatie van de contacten met ouders.
d. Explicitering van een regelgeving rond pesten op school.
Een gedragscode tegen pesten ontwikkelen en actief laten toepassen door
de verschillende actoren onder de verantwoordelijkheid van de directie
en in samenwerking met diensten zoals het CLB.
e. Inoefenen van vaardigheden om het pesten onmiddellijk te stoppen en
de gepeste leerlingen ter zijde te staan.
Voor leerlingen betekent dat:
Dadelijk de pestkop laten merken dat je pesten afkeurt,
Neen zeggen wanneer een pestkop je bij het pesten wil betrekken.
Aan een gepeste medeleerling laten merken dat ook jij pesten niet
prettig vindt.
Voor leerkrachten betekent dat:
• Het inoefenen van (incident)gesprekken waarbij onmiddellijk ten
aanzien van de pestkop wordt ingegrepen.
• Het voeren van korte ondersteuningsgesprekken met kinderen die gepest
worden.
• Het leren detecteren van pestsignalen.
• Het volgen van bijscholingen i.v.m. met deze materie.
• Ontwikkeling van een procedure voor eerherstel. Pesten betekent immers
(morele) schade toebrengen aan een ander. De pestkop maakt misbruik van
een machtsonevenwicht en berokkent het kind dat gepest wordt psychisch
(verdriet, angst, zich slecht voelen) en/of fysisch leed (pijn,
verwondingen). Het komt er niet zozeer op aan pestkoppen bij herhaling
te straffen maar van hen te verlangen dat ze het aangedane onrecht op
een of andere wijze herstellen en aan hun probleem werken. Ontwikkelen
en opvolgen van herstelcontracten waarin leerkrachten, leerlingen en
ouders participeren, zijn hiertoe het aangewezen middel
Ervaringen in Vlaanderen en Nederland en internationaal leren dat de
aanpak van pestgedrag het meest kansen op succes heeft, wanneer
directie, leerkrachten en ondersteunend personeel, leerlingen en ouders
aan één touw trekken. Ieder van hen wordt eerst geïnformeerd en
gesensibiliseerd over pesten en over signalen die op pesten kunnen
wijzen. Ze worden ook aangemoedigd om pesterijen of vermoedens van
pesterijen te melden. En de school grijpt kordaat in tegen pesterijen:
ze stelt een gedragscode op met duidelijke regels, ze houdt meer
toezicht houden op traditionele pestplaatsen zoals de speelplaats, ze
komt meteen tussenbeide bij pesterijen, ze voert gesprekken met alle
betrokkenen en maakt heldere afspraken.
Op het niveau van de ganse school gaat het vooral om concrete afspraken
tussen leerkrachten en maatregelen rond toezicht. Ook het opstellen van
een gedragscode tegen pestgedrag, deze gedragscode integreren in het
schoolreglement, het thema integreren in het lesprogramma en vorming
voorzien voor het personeel zijn noodzakelijk. Op het niveau van de klas
zijn er het opmaken van klasregels en klasafspraken, sensibilisatie via
klas- en/of kringgesprekken en via aangepast lesmateriaal. Men kan ook
gebruik maken van andere sensibilisatietechnieken zoals video, film,
rollenspelen, internetzoekopdrachten, …In pestsituaties kan men werken
met herstelcontracten.
Met de individuele leerlingen kunnen er gesprekken gevoerd worden
wanneer er zich pestgedrag voordoet, met de pestkop en de slachtoffers.
Ook CLB of andere begeleidingsdiensten kunnen betrokken worden.
Tenslotte mag de school ook niet vergeten de ouders te betrekken. Zowel
in het algemeen preventief tijdens ouderbijeenkomsten als in situaties
van concreet pesten moeten ouders betrokken worden.
Onderzoek heeft aangetoond dat een collectieve aanpak meer effect heeft
dan een individuele aanpak. Als men alleen de concrete pestsituatie
aanpakt, bestaat er het risico dat het slachtoffer achteraf nog meer
gepest wordt of op een andere manier ongeliefd wordt. Het is beter
preventief het pesten in het algemeen aan te pakken of in situaties van
concreet pesten, het pestprobleem voor de ganse klas bespreekbaar te
maken zonder namen en concrete situaties te noemen. In de meeste
situaties is het pesten immers ook geen individueel probleem, maar het
probleem van een ganse klasgroep.
Als men toch een individueel gesprek voert met pestkop en slachtoffer,
doet men dat best met beiden apart. Een rechtstreekse confrontatie
tussen het slachtoffer (met zijn traumatische ervaringen) en de dader
heeft een nefast effect op het slachtoffer. Uit angst voor chantage en
revanche durft het slachtoffer niet vrijuit spreken en gaat hij de
feiten toedekken of minimaliseren. Vaak stopt hier ook het
meldingsgedrag van het slachtoffer omdat het slachtoffer volwassenen
niet meer vertrouwt.
Omdat het pesten verschoven is van lijfelijk pesten naar online pesten
of cyberpesten behoeven deze vormen van pesten bijzondere aandacht in
preventiepakketten te krijgen. Leerkrachten moeten geïnformeerd worden
over hoe kinderen en jongeren elkaar momenteel pesten en hoe het niet
zichtbaar zijn in de klas, niet betekent dat er niet gepest wordt
aangezien veel pestgedrag verschoven is naar online of via sms pesten.
Leerkrachten moeten weten hoe internet en emailtoestanden precies
werken, hoe jongeren dit gebruiken en misbruiken om elkaar te kwellen en
te vernederen. Ze moeten handvatten aangereikt krijgen om samen te
helpen zoeken naar de aanstokers van het cyberpesten, zodat ze samen met
leerlingen kunnen ingrijpen. Maar ingrijpen is zeker niet voldoende.
Leerkrachten moeten preventief te werk gaan door met leerlingen te
praten over pesten en over de schade die cyberpesten kan teweegbrengen.
Niet alleen in de school als geheel, maar ook in elke klas komt het
probleem aan de orde en moet er gewerkt worden rond een pestbeleid en
moeten leerlingen beseffen dat ook cyberpesten niet kan en ernstige
gevolgen kan hebben voor diegene die gepest wordt. Pestkoppen moeten
ervaren dat de rangen sluiten zodra zij over de schreef gaan. Als
leerlingen zien dat volwassenen in de klas en op school ingrijpen tegen
pesten, gaan ze ook sneller reageren wanneer een medeleerling wordt
gepest.
Scholieren van het Mill Hill-college in Goirle hebben persoonlijk
ingegrepen nadat een schoolgenoot een hatelijke rap op de website van de
school had gezet. Een leerling had de site van de school gekraakt en
zette er een rap op die beledigend was aan het adres van docenten.
Rector Jos Berendsen was erg blij met het feit dat andere leerlingen al
voor schooltijd bij hem langs kwamen om het incident te melden en meteen
ook hun hulp aanboden om de teksten te verwijderen. De politie van
Noord-Brabant krijgt iedere week zeker zes aangiftes binnen. Dat zijn er
honderden per jaar en het 'digitale pesten' is daarmee een serieus
probleem. Op het Tilburgse Beatrix-college ontstond onlangs een massale
vechtpartij naar aanleiding van een beledigend msn-bericht. De politie
Midden-Brabant onderzoekt de zaak. (Bron: www.Planet Internet
21/04/2006)
Wanneer de school een goed anti-pestbeleid voert, durven ook
slachtoffers hierover sneller te praten. Een belangrijke stap in een
goed anti-pestbeleid op school is dat iedereen wéét bij welke
vertrouwenspersoon hij of zij terecht kan met zijn of haar verhaal. Want
wie gepest wordt en ook wie er getuige van is, zwijgt vaak uit angst
voor represailles. Verder kunnen leerlingen en leerkrachten vaardigheden
inoefenen om zowel het offine als online pesten direct te doen stoppen,
en de school kan een procedure ontwikkelen waarmee pestkoppen de schade
kunnen herstellen die ze hebben aangericht.
Maar daarnaast blijft preventief werken van het grootste belang. Pas als
er in scholen een veilig, vertrouwenscheppend en stimulerend klimaat
geschapen wordt, kunnen jongeren goed leren en leven. In een positief
schoolklimaat, waar leerlingen een goede band hebben met de leerkracht,
komt er minder antisociaal gedrag voor. Wetenschappelijk onderzoek pleit
dan ook in eerste instantie voor preventieve maatregelen: een aangenaam
schoolklimaat en een leerlinggerichte houding, waarbij de
succeservaringen van leerlingen worden gestimuleerd. Ook
regelduidelijkheid is van belang: er worden duidelijke grenzen gesteld,
liefst in overleg met de leerlingen, en die worden consequent bewaakt.
4. Klachtenregeling
Iedere school is wettelijk verplicht vertrouwenspersonen aan te stellen,
een klachtenregeling op te stellen en zich aan te sluiten bij een
klachtencommissie. Via de schoolgids moet elke school de ouders en de
leerlingen daarvan op de hoogte stellen. Bij ernstige gevallen van
pesten kunnen ouders (en leerlingen) een klacht indienen bij de
klachtencommissie. Dat doen ze bijvoorbeeld als het pesten nog steeds
niet is gestopt of als ze ontevreden zijn over de manier waarop de
school het pesten aanpakt.
Meestal zal het indienen van een klacht beginnen met een gesprek met de
interne vertrouwenspersoon van de school. Die treedt dan bij het vervolg
op als begeleider van de leerling en de ouders die de klacht indienen.
Als zij hun klacht willen doorzetten, volgt contact met de externe
vertrouwenspersoon en met de externe klachtencommissie. De
klachtencommissie hoort de betrokkenen en adviseert vervolgens het
bestuur van de school over te nemen stappen.
Bij ernstige en langdurige gevallen van pesten - zeker vanaf de laatste
jaren van de basisschool - zou je kunnen spreken van 'herhaald geweld'.
Vaak is daarbij ook sprake van vormen van 'stalking': opwachten en
hinderen op de weg van school naar huis, scheld- en dreigtelefoontjes,
anonieme briefjes of SMS-berichten met bedreigingen, hate-mail via het
Internet, enz. Hoewel het nog (te) weinig wordt gedaan, bestaat in zulke
gevallen de mogelijkheid voor de ouders of de school om contact op te
nemen met de politie. Wat buiten school niet mag volgens de wet, mag
binnen de sfeer van de school ook niet. Het kan van belang zijn gemene
pesters in een vroeg stadium duidelijk te maken hoever zij over de
streep zijn gegaan en dat zoiets niet alleen in school maar ook in de
maatschappij verboden is.
Bij de lichte gevallen kunnen scholen daarbij een 'Geen blaam'-aanpak
toepassen. Het gaat daarbij niet om te straffen, maar om ruimte te
creëren voor daders en meelopers om een andere richting te kiezen. De
bedoeling is pesters positieve plannen te laten maken om hun gedrag te
veranderen en de situatie voor de gepeste leerling(en) prettiger en
veiliger te maken. In ernstige gevallen van pesten is het soms nodig
dader en slachtoffer tijdelijk van elkaar te scheiden door schorsing. De
schorsing kan worden gebruikt om na te gaan welke oplossing er mogelijk
is.
Maar meer nog dan straf, kan daarbij een herstelprocedure positief
werken: schulderkenning door de pester en een oprecht gebaar van de
pester in de richting van de gepeste om schade te herstellen of aan het
herstel van een veilige situatie bij te dragen. Als zoiets niet lukt of
niet mogelijk is, kan het nodig zijn de pester(s) over te plaatsen naar
een parallelklas of naar een andere (vestiging van de) school. Het
uitgangspunt blijft dat degenen die het voor anderen onveilig maken dan
het veld moeten ruimen.
5. Rol van het CLB
Gezien de heroriëntering van de taak van het CLB waarbij de cel
leerlingbegeleiding het centrale gegeven wordt, is het wenselijk na te
gaan op welke wijze die centra bij een aanpak van pesten op school
betrokken kunnen worden. De opdracht van die cel bestaat o.m. uit
-het coördineren van preventieactiviteiten en bijscholing,
-opzetten van werkgroepen en/of projecten,
-uitbouwen van een signaleringsnetwerk,
-bespreken van individuele probleemleerlingen, gedragsregels en
sancties.
In deze nieuwe visie vervult het CLB-team een complementaire rol ten
aanzien van de school. Wanneer we deze rol vertalen naar de opbouw en
uitvoering van het actieprogramma pesten, liggen de taken die een
CLB-medewerker bij de uitwerking ervan kan opnemen, op eenzelfde lijn.
We vertrekken daarbij met de aanpak op drie niveaus:
de school,
de klas,
de individuele leerlingen.
Als de pesters niet stoppen heb je het recht om de geweldloze
bemiddeling van anderen te vragen. Dat is geen klikken of klagen, het is
een geaccepteerde manier om je tegen pesten of geweld te verdedigen.
Klasgenoten kunnen je daarbij helpen.
Daarom moet de school moet er voor zorgen dat leerlingen met hun vragen
om bemiddeling terechtkunnen bij iemand die goed luistert en kan
bemiddelen. Elke klassenleerkracht of mentor zou die rol moeten kunnen
vervullen. Want de meeste kleine ruzies en de eerste aanzetten tot
pesten zijn meestal in de sfeer van de groep oplosbaar. Maar daarnaast
is het nodig dat er in de school deskundige vertrouwenspersonen,
leerlingbegeleiders en schoolleiders zijn die als bemiddelaar kunnen
helpen. Tegenwoordig zijn er ook scholen die werken met leerlingen als
bemiddelaars voor ruzie en pesten. Het gaat dan om getrainde leerlingen
die goed worden begeleid door een leerlingbegeleider. In de praktijk
blijkt dat leerlingen die gepest worden zich makkelijker bij een
leerlingbemiddelaar (CLB) melden en dat die bemiddeling vaak ook goed
werkt.
6. Acties op schoolniveau (CLB)
De onderstaande aspecten behandelen mogelijke taakaspecten van het
CLB-team. Het is niet de bedoeling dat het CLB-team al die taken op zich
neemt, maar inzicht krijgt in een mogelijke bijdrage en vlotte
samenwerking met de school, leerkrachten, ouders en andere betrokkenen
welke elkaar op deze domeinen wederzijds kunnen ondersteunen en
aanvullen.
Niet te verwaarlozen is de mogelijke inbreng van de schoolarts op het
domein van het signaleren, wanneer hij/zij tijdens het onderzoek door
leerlingen in vertrouwen wordt genomen of zelf een vermoeden heeft.
De CLB-medewerker kan op de eerste plaats betrokken worden bij de
planning en de uitvoering van het informatie- en sensibiliseringsproces
bij ouders, leerkrachten en overige personeel.
Hij of zij wordt dan mede stuwende kracht bij de ontwikkeling van een
gedragscode op de school die de afspraken vastlegt m.b.t. wie wat kan
doen als er een pestgeval wordt opgemerkt.
Een eerste fase bij de ontwikkeling van deze code omvat de verzameling
en rapportering van informatie over het pesten op school:
Waar komt het voor?
Wanneer en in welke vormen komt het voor?
Welke risicofactoren of beschermende aspecten kent de school.
…
Diverse doelgroepen dienen voor deze afspraken gesensibiliseerd te
worden.
Heel concreet denken we dan aan de organisatie van een ouderavond over
pesten of een pedagogische studiedag voor leerkrachten. In de praktijk
zal dat vaak betekenen dat de CLB-medewerker lid wordt van een werkgroep
"Pesten op school".
7. Acties op klasniveau (CLB)
De rol op het niveau van de klas is minder duidelijk en vaak ook minder
gewenst.
Het best zijn het de leerkrachten zelf die de discussie met de
leerlingen aangaan over het pesten en klasafspraken maken in de groep.
Verdere navorming voor de leerkrachten zoals bvb. m.b.t. actieve
werkvormen kan echter noodzakelijk blijken. Op dat moment moeten de
pedagogische begeleiding of de centra voor navorming instaan voor de
uitwerking of de organisatie ervan. Desgevallend kan een deel van de
organisatie of uitwerking opgenomen worden door het CLB-team.
Het is duidelijk dat er voor een CLB-team heel wat te doen valt. Het kan
een gunstige invloed hebben op de evolutie van het project in de school,
niet het minst omdat de CLB-medewerkers als externe deskundigen meer
ruimte en armslag kunnen hebben voor de uitvoering van bepaalde
onderdelen.
8. Acties op individueel niveau (CLB)
De rol en deelname van de CLB-medewerker op het individuele niveau lijkt
voor scholen een evidente verwachting. Zoals hoger al aangegeven, is die
toegespitst op de analyse van problemen, ervaren door leerlingen die
pesten of gepest worden. Zo kunnen ze meer dan leerkrachten inspelen op
de reële behoeften bij leerlingen die pesten of gepest worden al dan
niet in samenwerking met de ouders.
Het biedt tevens de mogelijkheid een tussenschakel te zijn bij de
doorverwijzing naar meer gespecialiseerde instanties wanneer uit de
probleemanalyse blijkt dat meer gespecialiseerde hulp nodig is. (Bron :
http://www.sasam.be )
2.10. De No-Blame methode
In vele scholen wordt de No Blame-aanpak gevolgd bij het bestrijden van
pesten. Dit is een niet bestraffende, maar probleemoplossende strategie
om met pestproblemen om te gaan en is gebaseerd op het boek 'Een
schreeuw om hulp'.
Bij de No Blame-aanpak wordt de verantwoordelijkheid voor een
pestprobleem bij de groep gelegd. De pester(s), de meelopers en een
aantal neutrale medeleerlingen worden samengebracht en gaan op zoek naar
mogelijke oplossingen.
Niet het beschuldigen van de pester, maar het negatieve gevoel van het
slachtoffer is het uitgangspunt van de gesprekken. De groep krijgt de
verantwoordelijkheid om een aantal voorstellen te doen om het negatieve
gevoel bij het slachtoffer weg te nemen of te verminderen. Op die manier
wil men de empathie van de pester en de medeleerlingen aanwakkeren.
Een school met een goede preventieve aanpak ziet het aantal pestgevallen
dalen. Toch zullen pesterijen nooit helemaal verdwijnen.
Hier volgt een kort overzicht van de verschillende stappen die
ondernomen worden :
STAP 1 : gesprek met het slachtoffer
Als de begeleider vaststelt dat er wordt gepest, start hij een gesprek
met het slachtoffer. Tijdens dat gesprek moedigt de luisteraar het
slachtoffer aan om te vertellen hoe hij zich voelt. Het is dus niet de
bedoeling om feitelijk bewijsmateriaal te verzamelen over de
gebeurtenissen.
Het is belangrijk dat het slachtoffer het proces begrijpt en zijn
toestemming geeft. Soms leeft de angst dat het nog erger zal worden,
maar als het niet bestraffende aspect volledig duidelijk is, voelt het
slachtoffer zich meestal veilig en opgelucht dat er iets gedaan wordt.
Het slachtoffer wordt niet gevraagd deel uit te maken van de groep om
zijn eigen verhaal te doen, omdat hij dan misschien zou beschuldigen en
daarmee rechtvaardiging zou kunnen uitlokken. Dat zou de
probleemoplossende aanpak kunnen ondermijnen!
STAP 2 : bijeenkomst met de betrokken leerlingen
De begeleider regelt een bijeenkomst met een groepje van 6 à 8
leerlingen die betrokken zijn bij het pesten en die door het slachtoffer
zijn voorgesteld. Deze betrokken leerlingen zijn zeker niet allemaal
pesters! De begeleider zorgt ervoor zijn eigen oordeel te laten
meespelen bij de groepssamenstelling, zodat behulpzame en betrouwbare
leerlingen erbij zijn naast diegenen die de ellende bij het slachtoffer
veroorzaakt hebben. Het doel is de kracht van de groepsleden te
gebruiken om het best mogelijke resultaat te krijgen.
STAP 3 : leg het probleem uit
De begeleider begint met aan de groep te vertellen dat hij een probleem
heeft. Hij is bezorgd over een leerling die het erg moeilijk heeft op
dat moment. De begeleider vertelt het verhaal van het negatieve gevoel
van het slachtoffer en gebruikt de tekst of tekening die het slachtoffer
eventueel maakte om de pijn te benadrukken. Hij praat op geen enkel
moment over de details van de gebeurtenissen en beschuldigt niemand.
STAP 4 : deel de verantwoordelijkheidAls het verhaal rond is, zou het
kunnen dat de luisteraars er teneergeslagen of ongemakkelijk uitzien en
dat ze onzeker zijn over de reden van de bijeenkomst. Sommigen kunnen
ongerust zijn over mogelijke straffen. De begeleider verandert de
stemming door uitdrukkelijk te stellen dat :
• niemand in de problemen zit of zal gestraft worden
• er gedeelde verantwoordelijkheid is om de leerling te helpen zich
gelukkig en veilig te voelen
• de groep is bijeengeroepen om het probleem te helpen oplossen
STAP 5 : vraag naar de ideeën van elk groepslid
De leden van de groep zijn meestal oprecht geraakt door het verhaal en
opgelucht dat zij niet in de problemen zitten. Ze geven geen toestemming
meer voor de voortzetting van het gedrag. Elk lid van de groep wordt
aangemoedigd om een manier voor te stellen waarop het slachtoffer kan
worden geholpen om zich gelukkiger te voelen. Deze ideeën moeten worden
genoteerd in de intentionele "ik-taal" en komen van de groepsleden zelf.
Ze worden niet door de begeleider opgelegd.
STAP 6 : laat het aan hen over
De begeleider beëindigt de bijeenkomst en legt de verantwoordelijkheid
om het probleem op te lossen bij de groep. Er wordt geen schriftelijk
verslag gemaakt, het is een kwestie van vertouwen. De begeleider dankt
hen en drukt zijn vertrouwen uit in een positieve afloop. Er wordt
afgesproken dat de begeleider elk lid van de groep afzonderlijk zal
spreken om te horen hoe alles loopt.
STAP 7 : spreek hen opnieuw
Ongeveer een week later spreekt de begeleider met elk groepslid en met
het slachtoffer over de stand van zaken. Deze gesprekken zijn met elk
groepslid afzonderlijk, zodat elk van hen kan vertellen over zijn
bijdrage zonder een competitieve sfeer te creëren. Het speelt geen rol
of iedereen zijn voornemen heeft uitgevoerd, belangrijk is dat de
pesterijen gestopt zijn. Het is niet nodig dat het slachtoffer de meest
populaire leerling van de school is geworden, zolang hij zich maar
veilig en gelukkig voelt. Vraag de verschillende groepsleden in hoeverre
zij hun voorstellen uitvoerden en hoe zij zich daarbij voelen. Eventueel
motiveer je hen om
een nieuw voorstel te bedenken. Door afzonderlijk met de groepsleden te
spreken, kunnen
zij zich niet achter elkaar verstoppen. Op die manier heerst er geen
competitieve sfeer. Vraag ook aan de gepeste hoe hij zich de voorbije
week voelde, of hij veranderingen opmerkte
in het gedrag van andere kinderen en hoe hij daarmee omging. Wanneer een
nieuwe groepsbijeenkomst nodig blijkt, kan je samen met de gepeste
kiezen voor een andere samenstelling.
2.11. Praktische en concrete tips:
Voor leerkrachten
Leerkrachten merken wel vaker dat een kind zich niet lekker voelt of
niet goed valt in de groep. De manier waarop pesten gewoonlijk gebeurt,
samen met het zwijgen van de leerlingen, maken dat ook hier informatie
ontbreekt. Jammer genoeg wordt pesten zowel voor scholen als ouders soms
pas duidelijk op het ogenblik dat zich eerder extreme gevolgen voordoen.
De realiteit leert ons dat ouders en leerkrachten uiterst weinig met
pestkoppen over het pesten spreken. Pestkoppen gaan meestal vrijuit.
De leerkrachten moeten
• oog hebben voor details die op pesten wijzen,
• agressie voorkomen,
•eerlingen meer eigen verantwoordelijkheid geven en hen evalueren op het
nemen van die verantwoordelijkheid. (Dit kan door even tijd uit te
trekken in de les als er zich een pestsituatie voordoet om samen met de
klas die situatie te analyseren en op te lossen.)
• leerlingen leren
o
creatief om te gaan met schoolfrustraties en werken aan
stressbestendigheid, assertiviteit, behoud van hun eigen identiteit
o leren beslissen in functie van hun eigen aanvoelen en leren
consequent zijn in die beslissingen
o leren luisteren naar elkaar
o leren hun mening herzien op basis van valabele argumentatie en
niet op basis van bedreiging of emotie
• de klas vanaf eerste schooldag met duidelijke afspraken begeleiden om
de onderlinge strijd tussen leerlingen in goede banen te leiden;
• zelf als leraar respect afdwingen door een positieve manier van
leiding geven
• respect hebben voor de leerlingen en hun problemen en hun emoties
• van pesten een lesthema maken ; samen met de leerlingen een
‘antipestverdrag’ opstellen
• oog hebben voor details die op pesten wijzen
• onvoorwaardelijke en onmiddellijke hulp bieden aan het slachtoffer
• gesprek voeren met pester en zijn ouders
Voor leerlingen
Het pesten is, zoals hoger aangegeven, een zaak van meerdere kinderen.
We kunnen onderscheid maken tussen groepjes leerlingen die actief bij
het pesten betrokken zijn.
Binnen die groepjes kan een centrale figuur of aanvoerder gevonden
worden. Soms zijn het enkele kinderen die in deze voortrekkersrol
samenspannen. Daarnaast kan die voortrekker of 'leider' rekenen op de
hulp van anderen. Ze kunnen meelopers genoemd worden of supporters. Hun
rol is die van aangever, helper, op wacht staan, koor vormen en
dergelijke meer. Ze zijn wel degelijk actief betrokken bij het pesten.
Er zijn de meer passieve getuigen. Dat zijn leerlingen die het pesten
zien gebeuren, maar niet tussenkomen. We zullen ze verder neutrale
leerlingen uit de middengroep noemen. Hun rol mag niet worden
verwaarloosd. Uiteraard zijn er de gepeste kinderen (een of meer) zelf.
Dat zijn kinderen die voortdurend het mikpunt zijn van pesterijen.
(Bron :
http://www.sasam.be/aanpak_op_school.html )
2.12. Karakteropvoeding door leraren
Wetenschappelijk onderzoek (Berkowitz & Bier, 2005) uit de VS legt heel
sterk de nadruk op karakteropvoeding als een krachtig instrument om
cyberpesten terug te dringen. Karakteropvoeding refereert naar een breed
scala van schoolgebaseerde strategieën ontwikkeld om een positieve
psychologische ontwikkeling van kinderen teweeg te brengen, vooral om
hen te leren om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen daden en
moreel te leren denken en te handelen. Dit kan het best doordat in het
schoolcurriculum expliciet maatschappelijk vormende lessen opgenomen
worden. Gelukkig gebeurt dit in Vlaanderen al heel sterk met het pakket
Leefsleutels (
http://www.leefsleutels.be/ ) In Nederland is er momenteel veel
belangstelling voor de zogenaamde Kanjertraining, een pakket dat
vergelijkbaar is met Leefsleutels en veel werkt rond sociale
vaardigheden, met elkaar leren omgaan en morele vorming. (
http://www.kanjertraining.nl/
)
Binnen deze pakketten moet dringend aandacht komen voor de veranderende
vormen van pesten en moeten jongeren op een speelse manier informatie
krijgen over de gevaren en risico’s van het cyberpesten.
2.13.Mogen leraars GSM afpakken of in boekentas kijken.
Mag een leraar of de directie een GSM in beslag nemen om die te
onderzoeken of ermee gepest is.
Het lijkt ons niet verboden als een docent een telefoon voor
bijvoorbeeld een uur of gedurende een schooldag inneemt als een leerling
zich niet aan afspraken houdt en bijvoorbeeld belt of sms’t tijdens de
les. Het lijkt wel verboden als de docent bijvoorbeeld meerdere dagen
iets afneemt.
In principe moet een leraar een afgepakte GSM ’s avond teruggeven. Maar
vermoedelijk bestaat er geen jurisprudentie over dit soort dingen zodat
het onduidelijk is wat een rechter zou beslissen mocht een leraar of de
school toch langer een GSM in beslag nemen.
De vraag blijft wat er met de GSM mag gebeuren. Mag de directie of de
leerkracht nakijken welke berichten verzonden werden of wanneer er
gebeld werd. In twijfelsituaties rond cyberpesten is het aan te raden
bij ernstig misbruik de politie te waarschuwen en niet op eigen houtje
op onderzoek uit te gaan. De kans bestaat immers dat ouders klacht
kunnen indienen wegens schending van de privacy.
Het is aan te raden in dien men een GSM afneemt de leerling te vragen de
GSM met een paswoord te beveiligen en uit te zetten.
Het lijkt tevens belangrijk duidelijke en voor alle leraren gelijke
regels op te maken en die via een schoolreglement aan de leerlingen
kenbaar te maken.. Men zou bijvoorbeeld kunnen voorstellen in het
statuut een maximum te stellen aan ‘innametijd’, bijvoorbeeld een
schooldag (dus dat de leerling de telefoon aan het eind van zijn
schooldag terugkrijgt) of een lesuur. De krant De Morgen berichtte op
31/03/2006 dat leraars en schooldirecteuren ook de boekentassen van
leerlingen nooit mogen controleren of inkijken. Dit antwoordde minister
Frank Vandenbroucke in het Vlaams Parlement aan Veerle Heeren.
Aanleiding voor de parlementaire vraag was een school uit Diest, die het
schoolreglement zo wilde aanpassen dat de leerlingen de controle van hun
boekentassen zouden toelaten. De school wilde vermijden dat leerlingen
drugs of wapens zouden meebrengen. Het napluizen van de boekentas zou
ook kunnen helpen bij het opsporen van cyberpestgedrag. Vandenbroucke
oordeelde dat dit controleren volledig in strijd is met de privacywet.
Wel kan aan een leerling gevraagd worden om zijn of haar boekentas leeg
te halen. Als de student dat weigert kan de school aan de politie vragen
om de tas te onderzoeken.
3. Ouders sturen steeds meer (hate)mails
Niet alleen kinderen pesten. Ook ouders laten zich soms niet onbetuigd.
Nu kan je moeilijk spreken van cyberpesten, maar ouders durven leraren
of directie ook wel eens bestoken met haatmails. Het tijdschrift Klasse
voor leerkrachten berichtte over het fenomeen.
“Het is absoluut tijd dat er aan Marieke gedacht wordt i.p.v. constant
aan de klasleraar. Het is tenslotte hij die een kind in nood genegeerd
heeft.” “De rekenmachine (merk Texas Instrument TI-40, lichtblauwe
kleur) van onze zoon is vandaag uit zijn rugzak verdwenen. Mogelijks is
ze ontvreemd.”
“Ik beschouw met deze mail de school als verwittigd. (…) Zonder passende
reactie zie ik mij genoodzaakt verder te gaan. Dit zijn maar enkele
passages uit e-mails die scholen vandaag van ouders ontvangen. Die
gebruiken steeds meer e-mail als communicatiemiddel met de school van
hun kinderen. «Dat gaat ver, tot anonieme hatemail toe», getuigt
directeur Ronald Severijns van het Sint-Janscollege in Meldert. Op het
secretariaat komen daar elke dag praktische en zakelijke mails binnen -
verzoeken om de school te verlaten voor doktersbezoek,berichten van
ouders aan leraren, vragen om info – maar even goed zitten daar mails
tussen die niet eenduidig te beantwoorden zijn. De
directeur krijgt ook ‘treur- en klaagmails’ binnen, naast klachten- en
scheldberichten die leraren aanvallen, hart-op-de-tong-mails,
elektronische boodschappen ‘waarin ouders proberen te bereiken dat hun
kind wordt gedelibereerd’. «Ik beantwoord die allemaal zelf», aldus
Severijns, «want veel meer dan in een telefoontje of tijdens een
persoonlijk gesprek moet je in een mail je woorden wikken en wegen. Ze
krijgen immers eeuwigheidswaarde en kunnen tegen de school worden
gebruikt. Zo zag ik stukken uit mijn mailcorrespondentie met een ouder
opduiken in een klachtendossier bij de Commissie voor Zorgvuldig
Bestuur.». Ook in veel andere (basis)scholen tonen ouders van leerlingen
zich enthousiaste mailers, al loopt het nog niet overal zo’n vaart.
(Klasse, maart 2006 ,nr163)
4. Belang van ondersteunende diensten.
Een anti-pestbeleid uitstippelen op school is een zaak voor de school
zelf. Maar uiteraard moeten alle schoolbetrokken partijen mee over het
beleid nadenken en toepassen en problemen helpen oplossen. Het is
bijgevolg niet alleen van belang dat leerkrachten op de hoogte zijn van
hoe kinderen elkaar momenteel pesten en hoe daar mee om te gaan, maar
ook bijvoorbeeld de Centra voor Leerlingenbegeleiding moeten zich
informeren over de nieuwste pesttechnieken bij jongeren. Verder zijn er
nog diensten waarop scholen beroep kunnen doen zoals het Steunpunt
Grensoverschrijdend Gedrag op School, geleid door vzw Limits. (
www.limits.be )
Toen in 2002 de nieuwe federale wet over Geweld, pesten en ongewenst
seksueel gedrag op het werk eraan kwam, liet het departement Onderwijs
een instrument ontwikkelen om pesten op school aan te pakken en te
voorkomen: het Beleidsplan ter preventie en bestrijding van geweld,
pesten en ongewenst seksueel gedrag op school. De wetgeving over geweld,
pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk is enkel van toepassing
op leerkrachten en op een beperkt aantal leerlingen, bv. die met een
leerovereenkomst. De meeste leerlingen worden dus niet beschermd door
die wet. Maar het genoemde beleidsplan besteedt evenveel aandacht aan de
preventie en aanpak van het probleem bij leerlingen als bij
leerkrachten. De map is uiterst actueel en ging gratis naar alle
scholen. Ze is ook te vinden via
http://www.ond.vlaanderen.be/antisociaalgedrag/beleidsplan/
Ook over cyberpesten is daar informatie te vinden.
Een ander interessant document dat rechtstreeks van internet te
downloaden is, is de publicatie Klikvast, ook op de informatiesnelweg
Tips voor veilig ICT-gebruik op school. Gids voor leraren, directies en
ICT-coördinatoren over de mogelijke gevaren van ICT-gebruik. De gids
biedt informatie, concrete tips en richtlijnen over veilig ICT-gebruik
en past in een ruimere sensibiliseringscampagne van de overheid. De
gedrukte brochure is uitgeput, maar ze is integraal raadpleegbaar via de
website
http://www.ond.vlaanderen.be/ict/ondersteuning/veilig_ict/Veilig_internet_tips.pdf
5.
Hebben scholen voldoende greep op het pesten op school ?
Onderwijspedagoge Marion van Hattum is niet overtuigd dat de aanpak op
school altijd even efficiënt gebeurt. Leerkrachten hebben nauwelijks
greep op pesten, beweert ze. Nederlandse pestprogramma's hebben
nauwelijks effect. Dat komt omdat ze geen rekening houden met de manier
waarop leraren en leerlingen het pesten op school beleven. Marion van
Hattum promoveerde in 2004r aan de Universiteit van Amsterdam op een
onderzoek naar dit onderwerp.
Ze concludeert onder meer dat leraren en leerlingen het pesten anders
beleven, zo anders zelfs dat leraren de pesters in een klas maar
moeilijk herkennen. Pesten geeft leraren dan ook een machteloos gevoel.
Leerkrachten plaatsen de oorzaak van pestgedrag buiten zichzelf.
Aanvankelijk had Van Hattum de opdracht een programma te ontwikkelen om
het pesten op scholen tegen te gaan. Maar toen ze ging kijken naar wat
er op dat terrein in Nederland allemaal was ontwikkeld, stuitte ze op
een 'bom van informatie'. Van Hattum lacht: 'Er bleken al talloze
pestprogramma's te bestaan. Dus om er nu weer een aan toe te voegen,
leek me niet zo zinvol.' Over het effect van de Nederlandse
pestprogramma's bleek veel minder bekend. De enkele studies die er
waren, toonden aan dat het pesten er zeker niet door verminderde. Van
Hattum vroeg zich af hoe dat kwam. Temeer omdat er in Engeland en met
name Scandinavië met vergelijkbare programma's wel goede resultaten
werden geboekt.
Ze ontdekte dat er in het buitenland veel meer begeleiding was bij het
invoeren van de pestprogramma's. 'In Nederland worden de programma's
opgestuurd, en als de school geluk heeft wordt er nog een themamiddag
georganiseerd. Verder is er geen nazorg', zegt Van Hattum. 'Geen wonder
dus dat de programma's bij de meeste scholen ongebruikt in de kast
blijven staan.' Gesprekken met leraren bevestigden haar vermoedens. De
leraren konden haar precies vertellen waar de pestmappen stonden op
school. Maar om ze nu te pakken? Nee, daar kwamen ze niet aan toe.
'Leraren hebben het al druk genoeg met hun normale lesprogramma's
vertelde Van Hattum. 'Daar wordt te weinig rekening mee gehouden.
Onderzoekers en beleidsmakers denken dat het een goed idee is om op
scholen iets tegen het pesten te doen, omdat daar veel kinderen bij
elkaar zitten. En dat is natuurlijk ook handig. Maar of de school dat
ook zo handig vindt, vragen zich niet af. Leraren zelf zeggen bijna
allemaal: En de ouders dan?'
In haar eigen onderzoek vroeg ze zich af hoe de leerkrachten zelf
eigenlijk tegen het pesten aankijken. Vinden ze het pesten wel erg? Hoe
beleven ze het in de klas? Wat doen ze er tegen? En hoe beleven de
leerlingen het pesten eigenlijk? Ze schreef 217 basisscholen aan met de
vraag of ze wilden meedoen. In totaal deden er 280 klassen mee waarbij
228 leraren en 6430 leerlingen.
Van Hattum stelde vragenlijsten op voor leerkrachten met vragen als: Wie
zijn de pesters en wie zijn de slachtoffers in jouw klas? Vind je het
percentage pesters belastend? Doe je er iets tegen? Daarnaast kregen de
leerkrachten een paar hypothetische situaties voorgelegd, zoals
bijvoorbeeld: 'U neemt een dictee af bij uw groep. Rachida doet erg haar
best om netjes te schrijven. U ziet dat Ismaël Rachida een zet geeft
tegen haar arm, zodat er een kras op haar papier komt.' Op een
vijfpuntsschaal moesten de leerkrachten aangeven of ze deze situatie
'vrij normaal' dan wel 'heel erg' vinden.
De leerlingen moesten dezelfde situaties beoordelen, en moesten
daarnaast van zichzelf aangeven of ze zichzelf een pester, een
slachtoffer of een buitenstaander van pestsituaties vinden.
Van Hattum kwam er achter dat leraren het pesten weliswaar een kwalijke
zaak vinden, maar dat ze er eigenlijk niet zoveel tegen doen. Het blijft
bij wat praten met leerlingen, en sommige leraren schakelen de ouders
in. 'De meeste leraren hebben het gevoel dat ze geen invloed hebben op
het pestgedrag', verklaart Van Hattum. 'Ze denken dat pesten of gepest
worden dingen zijn die te maken hebben met het karakter van de
leerlingen. Vaak leggen leerkrachten de oorzaak van pestgedrag ook bij
de thuissituatie. Dit kind pest omdat het altijd al is blootgesteld aan
geweld en agressie thuis. Niet vreemd dus, dat hij dit gedrag ook op
school vertoont. Leraren moeten dus het gevoel krijgen dat ze iets aan
het pesten kunnen doen, dan zullen ze geneigd zijn er ook daadwerkelijk
iets aan te gaan doen, was de conclusie (Mirke Beckers 26-05-2004
www.pestweb.nl )
6. Antipestbeleid werkt maar je moet het wel volhouden...
Minne Fekkes, onderzoeker bij TNO Kwaliteit van Leven sluit hier met
zijn onderzoek bij aan en promoveerde in juni 2005 over de thematiek van
het pesten op school.
Zo bleek dat 16% van de kinderen uit de laatste drie groepen van de
basisschool aangaf minimaal enkele malen per maand te worden gepest.
5.5% van de kinderen zei zelf te pesten. De meester of juf was vaak niet
op de hoogte, want slechts 53% van de gepeste kinderen vertelde het hun.
Maar ook ouders weten lang niet altijd dat hun kind gepest wordt; een
derde van de gepeste kinderen vertelde daar thuis niets over. Jongens
pesten vaker op een fysieke wijze, meisjes pesten subtieler, door
uitsluiting of roddelen.
Fekkes onderzocht de relaties tussen pesten enerzijds en een heleboel
andere zaken anderzijds, waaronder de – geestelijke - gezondheid van
kinderen, het hebben van vriendjes of vriendinnetjes, en de relatie
tussen actief pesten en delinquent gedrag. Daarnaast onderzocht hij of
pestbeleid helpt. Hij zette een interventiestudie op waarbij hij 47
basisscholen betrok. Hij mat hoe vaak er gepest werd, voerde een
antipestbeleid in, en volgde de scholen twee jaar lang. Aan het eind van
het eerste schooljaar deed hij een tweede meting. Het goede nieuws:
antipestbeleid bleek er wel degelijk te werken. Aan het eind van het
eerste jaar werden er op scholen met het interventieprogramma slechts
zeven kinderen gepest tegenover tien in de controlegroep. Het slechte
nieuws: weer een jaar later, bij de volgende meting, was het effect
verdwenen. ‘Dat komt waarschijnlijk doordat scholen het als een eenjarig
project zagen’, zegt Fekkes. ‘Het jaar erop richtten ze hun aandacht
weer op een ander prangend probleem, zoals overgewicht bij kinderen. En
dan lieten ze het beleid verwateren en voerden minder maatregelen uit.
Ze namen de jaarlijkse pesttest bijvoorbeeld niet meer af.’
Omdat de helft van de kinderen niet aan de leerkracht vertelt dat ze
worden gepest is het heel belangrijk dat die leerkrachten ernaar vragen
in gesprekken met de ouders, meent Fekkes: ‘Dat zou kunnen ter sprake
komen in de periodieke tien-minuten-gesprekken die in veel scholen
plaatsvinden. Scholen zouden in hun schoolplan of op hun website hun
antipestbeleid openbaar moeten maken. Ouders moeten worden uitgenodigd
het te melden als hun kind wordt gepest. Op websites zie je het
tegenwoordig overigens wel wat vaker staan, omdat scholen meer reclame
gaan maken. Met het pestprotocol profileren ze zich dan.’ Omdat scholen
continu de vinger aan de pols zouden moeten houden ziet Fekkes ook een
taak weggelegd voor beleidsmakers. ‘Als duidelijk is dat er inderdaad
een effectief programma is, een goed instrument, zou de overheid scholen
moeten stimuleren dat te gebruiken.
Fekkes zag een verband tussen actief pestgedrag en delinquent gedrag.
‘Bij deze leeftijdsgroep hebben we het dan vooral over vandalisme,
dingen in de fik steken en zo.' Het gaat daarbij hoofdzakelijk om
jongens. Niet alleen is er een verband op het tijdstip van het pesten
zelf, pesten blijkt ook een voorspellende waarde te hebben voor
delinquent en agressief gedrag in de toekomst. Frequente pesters hebben
een grotere kans om achttien maanden later delinquent gedrag te
vertonen. Fekkes: ‘Pesten kan dus een signaalfunctie hebben, het kan
wijzen op een breder problematisch gedrag op een later tijdstip.
Andersom bleek ook dat delinquente jongens die niet pestten achttien
maanden later een grotere kans hadden om wel te pesten dan
niet-delinquente jongens. Ook hier is het dus weer zaak om vroeg in te
grijpen. Dan kun je nog therapieën aanbieden, en de thuissituatie onder
de loep nemen.’ Want uit eerder onderzoek kwam naar voren dat een harde
opvoedingsstijl, met ouders die slaan, een grotere kans op pestende
kinderen geeft.
7. Nationaal onderwijsprotocol tegen pesten in Nederland
De vier landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs in
Nederland ontwikkelden enkele jaren geleden een onderwijsprotocol tegen
pesten. Tegelijkertijd werd een brochure uitgegeven met handvatten voor
scholen om een beleid tegen pesten te ontwikkelen. Het is de bedoeling
dat alle geledingen in een school: bestuur, ouderraad,
medezeggenschapsraad en team zich afvragen hoe de school een veiliger
plaats kan worden voor leerlingen. Als ze het daar samen over eens zijn
geworden, kunnen ze dat bekrachtigen door het protocol te ondertekenen.
Er worden zes aanbevelingen gegeven om pesten op school aan te pakken,
van elke aanbeveling worden uitwerkingen gegeven.
Samengevat luiden deze:
1. Pesten moet worden onderkend als probleem door alle betrokkenen:
kinderen die gepest worden, pestende kinderen, meelopers, afzijdige
kinderen, leerkrachten en ouders.
Daartoe zijn voorlichtings- en studiebijeenkomsten nodig voor
leerkrachten en ouders. Ook kunnen informatiebrochures aan ouders worden
verstrekt.
2. De school probeert pesten te voorkomen.
Leerkrachten proberen een veilige sfeer te scheppen in hun klas. Er
kunnen projecten in de klassen worden uitgevoerd over pesten en omgaan
met elkaar. Ook kan worden gewerkt aan het gezamenlijk opstellen van
klasseregels. Er kan gewerkt worden aan de hand van video's of
toneelproducties.
3. Leerkrachten zijn in staat om pesten te signaleren als het toch
optreedt.
Zij kunnen hierin worden geschoold. Ook zijn er enkele boeken en
brochures die aangeven op welke signalen gelet moet worden.
4. Leerkrachten nemen duidelijk stelling als ze merken dat leerlingen
worden gepest.
Heel belangrijk is hierbij het invoelend vermogen van de leerkrachten.
In diverse trainingen wordt hier aandacht aan besteed.
5. De school beschikt over diverse aanpakken als er gepest wordt.
Leerkrachten kunnen worden geschoold in diverse methoden om
pestproblemen aan te pakken. Daarnaast kunnen ze ook hulp van anderen
inschakelen. De methoden zijn gericht op het pestende kind, het gepeste
kind en op de klas als geheel.
6. Er is een vertrouwenspersoon, die klachten van leerlingen en ouders
over het pestbeleid op school kan indienen bij een klachtencommissie.
(bron : http://www.sjn.nl/pesten/
)
8. Voorzichtig beleid in het gebruiken en verspreiden van
gevoelige informatie van leerlingen.
Voorkomen is beter dan genezen. Scholen plaatsen vaak foto’s van
leerlingen van allerlei activiteiten op de schoolwebsite. Op zich is
daar uiteraard niets op tegen, maar men moet er zich van bewust zijn dat
deze foto’s juist gebruikt kunnen worden om met
fotobewerkingsprogramma’s leerlingen eruit te knippen, te vervormen, op
andere lichamen te plakken, enz. om ze dan op pestwebsites te plaatsen
tot schande van de slachtoffers. Is de school of enthousiaste leerkracht
zich er wel van bewust dat leerlingen elkaar onderling kunnen pesten
door dit soort foto’s in een iets andere hoedanigheid online te
plaatsen, bijvoorbeeld op een leuke profielwebsite, waar ze onder
iemands naam een profiel in elkaar knutselen waarbij ze aangeven dat
betrokkene (vb meisje 14j) een “hete doos” is die seks wil met iedereen
en dan daarbij het emailadres en GSM nummer vermelden.
In sites
zoals www.sugerbabes.nl
kun je dit snel en anoniem aanmaken. De school kan dus best eerst
toestemming vragen aan ouders of hun kind op de schoolwebsite mag
prijken en opletten met het plaatsen van teveel individuele kinderen in
close-up. Andere scholen plaatsen lijsten met namen en adressen en
emailgegevens van (oud-) leerlingen op het internet. Ook hier moet
toestemming aan de ouders gevraagd worden of aan de betrokkenen zelf
indien ze meerderjarig zijn. Er zijn voorbeelden bekend waar
leerkrachten foto’s op het internet plaatsten met naam en andere
persoonlijke gegevens zonder er bij na te denken welke risico’s men
daarbij aan kinderen bezorgde. Ouders werden nooit gevraagd of de foto’s
gepubliceerd mochten worden. Ouders moeten bij het gebruik van foto’s
altijd op de hoogte zijn en expliciet toestemming geven. Als men toch
foto’s van kinderen tijdens activiteiten op het internet wil plaatsen,
moet men die gegevens beschermen door een wachtwoord. Een digitale
leeromgeving zoals Blackboard, N@tschool of Smartschool kan ook dienen
om beveiligd foto’s voor ouders te verspreiden.
Verder moet de school haar netwerk zowel intern als extern goed
beveiligen. Vooral basisscholen gaan soms nogal amateuristisch om met
hun netwerk. In Vlaanderen mag men een ICT-coördinator aanstellen om het
netwerk te bewaken en de nodige beveiligingen in te stellen. Maar heel
vaak wordt die functie gereserveerd voor een leerkracht die zich een
beetje meer interesseert voor computers dan een andere en is die zelf
onvoldoende op de hoogte van beveiliging, firewalls, enz.
Natuurlijk is het dweilen met de kraan open, wanneer jongeren zomaar
zelf al hun foto’s en persoonlijke gegevens op internet plaatsen. De
communitysite www.sugarbabes.nl heeft 855.767 profielen, waar duizenden
foto’s van jongeren op prijken die ze al dan niet zelf er op geplaatst
hebben. Er zijn ook websites waar foto’s van fuiven of andere
activiteiten te bewonderen zijn. Soms zijn jongeren dus zelf
verantwoordelijk dat foto’s onoordeelkundig gebruikt gaan worden.
9. Digitale pesttest
In Nederland lanceerde minister van onderwijs Maria van der Hoeven op 26
oktober 2005 in het Oranje Nassau College te Zoetermeer de PestTest®,
een instrument voor scholen om het pestgedrag van leerlingen te meten.
Leerlingen geven door de test aan waar, wanneer en hoe op school wordt
gepest en wat zij daarvan vinden. Kinderen maken de test in de klas en
docenten kunnen vervolgens aan de resultaten zien of het antipest-beleid
op hun school goed werkt, of dat ze er meer werk van moeten maken. Ook
laten zij weten of het anti-pestenbeleid op school enig effect heeft.
Door het afnemen van de PestTest® kunnen scholen een gericht beleid
tegen pesten voeren. Het terugdringen en voorkomen van pesten draagt bij
aan een veilig schoolklimaat voor alle betrokkenen bij school. In de
PestTest is ook uitdrukkelijk cyberpesten opgenomen.
Via de PestTest® laten de pesters, hun slachtoffers en de klasgenoten,
die het pesten moeten aanzien, anoniem weten of en hoe er wordt gepest
en waar en wanneer het plaats vindt. De test levert de school informatie
over de meest effectieve aanpak. De ’pesttest’ maakt een onderscheid
tussen pesters, gepesten en de ’zwijgende leerlingen’.
Tien jaar geleden werd de eerste PestTest® uitgegeven. Vele scholen
hebben de test gebruikt. In tien jaar tijd is er veel veranderd. Scholen
beschikken nu over netwerken. En naast verbale en fysieke vormen van
pesten is nu ook digitaal pesten actueel. Sms, internet, chat en msn
worden veelvuldig misbruikt. Digitaal pesten is nog harder dan de
bekende vormen. Het vindt volstrekt anoniem plaats en de herhaling is
welhaast onbeperkt. De nieuwe PestTest® gaat in op deze nieuwe vormen en
is geschikt voor netwerkgebruik. Leerlingen krijgen voorafgaand aan de
test via de computer duidelijke uitleg over pesten en de test zelf. Zij
kunnen zelf aangeven of zij dit willen horen of alleen maar lezen.
Vooral voor leerlingen die (nog) moeite hebben met lezen, is de
mondelinge toelichting tijdens de test een uitkomst. Het uiterlijk van
de test is aantrekkelijk door een kleurrijke en aansprekende graffiti
achtergrond. De PestTest® is getest door leerlingen en leerkrachten op
verschillende scholen. De PestTest® is ontwikkeld voor leerlingen in de
laatste jaren van de basisschool en de eerste jaren van het secundair
onderwijs. (Meer info www.voo.nl/pesttest).

10. Materialen en tips voor leerkrachten
http://www.pestweb.nl/aps/pestweb/d/map3/
http://leraar.veilig.kennisnet.nl/
http://www.planet.nl/planet/show/id=1222161/contentid=519635/sc=36dc2f
In de rubriek
educatief materiaal vind je nog meer informatie en ook eigen gemaakte
instrumenten om met cyberpesten om te gaan.
Is je school cybersafe?
Hoe kan je van een webadres afleiden of een website
betrouwbaar is of niet? Hoe richt je een computerklas zo
ergonomisch en gezond mogelijk in? Wat kan een jongere
doen als hij slachtoffer is van cyberpesten? Hoe
organiseer ik als ICT-coördinator de beveiliging van het
schoolnetwerk? Antwoorden vind je in de publicatie
'Veilig Online. Tips voor veilig ICT-gebruik op school'.
Die brochure bevat up-to-date informatie over
uiteenlopende onderwerpen. Naast algemene informatie
krijg je tips, lesmateriaal en praktische richtlijnen.
De bijhorende cd-rom bevat vijf lespakketten,
lesmateriaal van diverse organisaties . Scholen vinden
er ook een uitgebreide checklist 'Is mijn school
cybersafe?' en een voorbeeldprotocol tussen school en
leerlingen over gebruik van ICT-faciliteiten. Voor het
eerst is er een Vlaamse versie van het succesvolle
Nederlandse Diploma Veilig Internet. De brochure is
bedoeld voor leraren, directies en ICT-coördinatoren.
Deze brochure past in een sensibiliseringscampagne over
veilig ICT-gebruik op school en werd opgesteld in
samenwerking met Child Focus en het Onderzoeks- en
Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO).
Jouw school ontvangt deze week een exemplaar en kan
extra exemplaren bestellen via de publicatiedienst van
het Ministerie van Onderwijs en Vorming.
Lees
meer in het persbericht 'Scholen krijgen tips om
cyberpesten te voorkomen'
http://ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/1008-veilig-ICT.htm
Download
de checklist 'Is mijn school cybersafe?'(pdf 60 Kb, 4 p.)
http://ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/files/1008-veilig-ICT-checklist.pdf
Bestel
extra exemplaren van de brochure
http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=&nr=306
11. Besluit
Scholen hebben een gelimiteerde autoriteit voor alles wat buiten de
school gebeurt. Ouders vragen soms dat de school ingrijpt wanneer hun
kind online wordt gepest, maar veel meer dan een gesprek met de
klasgroep of het opzetten van een preventieprogramma kan men niet doen.
Toch kunnen scholen een belangrijke rol spelen in het hele
cyberpestgebeuren. Dat kan door eerst en vooral het pestprobleem een
belangrijke plaats te geven in het leerprogramma en preventief te
werken. Lessen rond pesten en cyberpesten, geïllustreerd aan concrete
voorbeelden, leert kinderen de gevolgen van hun pestgedrag inzien en
maakt hen attent op de grote psychische schade die anderen door onnozel
kinderachtig pestgedrag kunnen oplopen. Vervolgens moeten ze kinderen
aanleren hoe ze moeten reageren wanneer ze gepest worden en wat ze wel
of niet moeten negeren bij cyberpesten. Ze moeten kinderen informeren
wanneer ze hulp moeten inroepen van volwassenen en vooral wanneer
politie ingeschakeld moet worden.
Dit
laatste moet zeker gebeuren wanneer er volwassenen met oneerbare
bedoelingen in het cyberpesten betrokken geraakt zijn. Soms geraken
kinderen verstrikt in een net van pesten en tegenpesten en doen ze in
hun boosheid of onbezonnenheid dingen die gevaarlijk zijn zoals illegaal
genomen naaktfoto’s uit kleedruimtes op het internet met persoonlijke
contactgegevens van medeleerlingen publiceren met de boodschap dat ze
zich aanbieden als call-girl of het vrijgeven van geheime medische of
financiële informatie die kinderen ernstig kan schaden. Kinderen moeten
weten dat als ze dit ontdekken, ze er onmiddellijk politie moeten
bijhalen, zeker als ze ten gevolge hiervan door volwassenen lastig
gevallen werden. Als er geen onmiddellijke fysieke bedreiging is, durven
leerkrachten of andere begeleiders wel eens zeggen dat het allemaal niet
zo erg is en wel voorbij zal gaan.
In de
bijbel staat dat je ook je linkerwang moet aanbieden en dat je sterk en
stoer moet zijn of maar moet terugpesten en dat het dan wel allemaal
overgaat. Maar vele volwassenen beseffen niet dat woorden net zo hard
kunnen kwetsen als lijfelijke aanvallen. Er bestaan meerdere voorbeelden
van jongeren die zelfmoord pleegden na herhaaldelijk emotioneel gepest
te worden waar begeleiders hen vooraf troostten of de hulpboodschappen
negeerden met het idee dat het wel zou overgaan als ze maar wat geduld
zouden hebben.
Zelfs als er geen cyberpesten op school plaatsvindt, kunnen scholen zich
vrijwillig aanbieden om te helpen ontdekken waar het cyberpestgedrag
vandaan komt. Verder kunnen scholen ouders proactief informeren over hoe
kinderen elkaar pesten en wat ze kunnen doen om hun kinderen online te
begeleiden en te beschermen. Dat kan gaan van het aanleren van eenvoudig
computergedrag op informatieavonden tot het aangeven van trucjes om te
achterhalen wie er pest en het leren emotioneel ondersteunen van een
kind dat gepest wordt. In dit werk wordt elders uitgelegd hoe het
cyberpesten precies gebeurt en hoe je jezelf of je kinderen ertegen kunt
beschermen, hoe je afzenders van e-mail kunt blokkeren, hoe je headers
met afzendergegevens kunt achterhalen, enz.
Veel moeilijker is het natuurlijk om kinderen met hun emotionele pijn te
begeleiden. Het is gemakkelijk van op afstand tegen slachtoffers te
zeggen dat ze het maar moeten negeren. Je kunt vertellen hoe laf
cyberpesten is omdat de pester zich achter zijn computerscherm verbergt.
Je kunt vertellen dat de pestkop zich alleen maar stoer, groot en
machtig wil voordoen. Maar daarmee is de pijn die de pester aanricht
niet opgelost en zal de pestkop ook niet stoppen. Iemand die gecyberpest
wordt heeft verschrikkelijk veel steun, warmte , aanmoediging, begrip
,schouderklopjes en knuffels nodig. Het gepest worden van het
slachtoffer is niet verholpen met een luisterend oor maar het
slachtoffer vraagt er wel naar en zal er kracht en moed uit putten. Geen
enkele begeleider mag dit minimaliseren. We moeten hun angst,
vernedering en schaamte erkennen. Overreacting is zeker ook uit den boze.
Overleg altijd met een kind dat om steun en raad vraagt, wat je het best
kunt doen.
Onmiddellijk zonder medeweten van het kind leerkrachten, politie of
andere diensten inschakelen is niet goed en schaadt het vertrouwen van
het kind. Het kind zal terecht vrezen dat het nog erger gepest gaat
worden als er iets van uitkomt. Het beste is samen met het kind bekijken
welke stappen er gezet kunnen worden. Als er sprake is van seksueel
misbruik bijvoorbeeld door het publiceren van oneerbare fotomateriaal
van het slachtoffer is het toch raadzaam na eventueel overleg met de
school klacht bij de politie in te dienen om te vermijden dat het
materiaal dat vrijelijk op het internet staat in handen van gewetensloze
pedofielen of kindermisbruikmaffiosi terecht komt.

|