Informatieve website over cyberpesten  

Algemeen
Inleiding
Wat is pesten
Wat is digitaal pesten
Vormen van cyberpesten
Profiel van de dader
Profiel van het slachtoffer
Gevolgen van cyberpesten
Wat maakt cyberpesten zo populair
Onderzoeksgegevens

Preventie en begeleiding

Hoe als hulpverlener helpen
Beschermen tegen cyberpesten
Cyberpesten en school

Volwassenen
Cyberpesten op het werk
Cyberstalken
Leerkrachten cyberpesten

Educatief materiaal
Info over  bestaand materiaal
Zelf ontwikkeld materiaal

Aanverwante onderwerpen
Andere internetgevaren
Gevaar van spelletjes

Links naar andere websites
Nederlandstalig
Engelstalig

Divers
Contact
Zoeken op deze site
Discussieforum
Cyberpesten en media(blog)
Disclaimer & copyrights

© Gerard Gielen Hasselt

Cyberpesten, ouders en de school

1. Ouders, school en cyberpesten


1.1. Digitale kloof tussen ouders (leerkrachten) en kinderen.

Er groeit een digitale kloof tussen opvoeders en kinderen. Kinderen leven, als het om televisie, internet en ipods gaat, in een aparte wereld. Ouders hebben vaak geen notie waar hun kinderen naar luisteren of kijken. De digitale kloof wordt momenteel eerder groter dan kleiner. Steeds meer en steeds jongere kinderen hebben een eigen televisie en/of computer op de kamer, webcam, ipod,… Het mediagebruik wordt steeds privater. Ouders haken af omdat ze het te druk hebben of omdat ze denken dat ze toch niet meer kunnen bijbenen. Gescheiden ouders willen hun kinderen voor zich winnen en laten hen alles toe. Er zijn momenteel zeer weinig ouders die beseffen hoe snel de multimediale ontwikkelingen gaan. Ze weten amper wat een Playstation, Ipod, webcam, GSM met camera, etc. zijn, laat staan dat ze weten hoe het werkt of wat de mogelijke risico’s daarbij zijn. Jongeren zijn bovendien momenteel niet alleen mediaconsument, maar ook meer en meer mediaproducent. Ze maken en vergaren hun eigen nieuws, produceren websites met school- of ander nieuws, maken foto’s met hun mobieltjes, schrijven weblogs, maken webcamfilmpjes over school , vrienden en uitgaansleven en verspreiden die via internet, doen online via Google mee aan webcamidols wedstrijden,…In hun enthousiasme staan ze vaak niet stil bij wat ze allemaal doen, houden ze totaal geen rekening met regels omtrent privacy, maken ze persoonlijke dingen bekend, enz.

Jongeren zitten in een levensfase waarbij ze niet altijd nadenken bij de dingen die ze doen. Ze stellen nog veel onverantwoord gedrag omdat ze ook niet altijd op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Tot 18 jaar zijn jongeren in principe niet aansprakelijk voor hun eigen gedrag, maar wel hun ouders. Dit maakt dat jongeren niet altijd beseffen dat ze kwaad kunnen doen met de dingen die ze verspreiden of de handelingen die ze stellen. De Amerikaanse onderzoeker David Walsh ( www.contracostatimes.com ) wijt het onbezonnen gedrag van tieners aan de onvolgroeidheid van de hersenen van tieners. Het gedrag van jongeren, inclusief cyberpesten of onbezonnen internet of GSM gedrag heeft volgens hem te maken met hersenontwikkeling. Ouders en leerkrachten moeten volgens hem zoeken naar wat zich binnen het hoofd van de tieners afspeelt. De hersenen van tieners zijn een werk in ontwikkeling. De gaspedaal is ingedrukt tot op de bodem en de remmen zijn nog in bestelling. Nogal wat ouders denken dat jongeren een voltooide hersenontwikkeling hebben en gaan er vanuit dat ze volwassen gedrag kunnen stellen. Dit is nog niet het geval, oordeelt de auteur. De hersenen hebben dan wel dezelfde maat als dat van hun ouders, het is een feit dat nog niet alle zones even sterk ontwikkeld zijn.

Vooral de prefontale hersenschors, die als uitvoerend centrum van de hersenen dient is nog niet definitief gevormd. De dramatische verhogingen van testosteron of oestrogeen zijn als het ware versnellingen van de auto waarvan de remmen voor een fiets werden ontworpen predikt de onderzoeker. Dit verklaart waarom tieners vaak handelen zonder na te denken. Het feit dat tienerhersenen zich nog ontwikkelen excuseert geen roekeloos gedrag, maar het maakt het wel begrijpelijker. Ouders en leerkrachten moeten de plaatsvervangende prefontale hersenschors vormen, vertelt Walsh. Vele ouders maken de fout door hun kinderen hun gang te laten gaan. Ouders en leerkrachten moeten meer bewust zijn van de gevaren die kinderen oplopen in hun onbezonnen gedrag o.a. op het internet. Een generatie geleden hingen jongeren op in slechte buurten, pleinen en steegjes. Ouders denken dat hun kinderen veilig zijn als ze op hun kamer rustig achter de computer zitten te chatten via MSN of profielen aanmaken op sites als  www.myspace.com . Niets is minder waar. De slechte buurten waar jongeren kunnen rondhangen zijn verhuisd naar de computer en zijn even gevaarlijk. Jongeren worden uitgedaagd om elkaar te pesten via internet, om onbezonnen dingen te doen zoals zich uitkleden voor webcams, door het aanmaken van haatwebsites, enz. Volgens Walsh moeten ouders , leerkrachten en alle andere begeleiders jongeren sturen ook al speelt het leven van de jongeren zich nu niet meer in slechte buurten maar op internet af. Volwassenen moeten kinderen er op wijzen dat ze niet zomaar alles kunnen filmen, beschrijven en versturen. Ze mogen ook niet zomaar alles op internet publiceren, zeker als ze niet zeker zijn dat de dingen waar zijn, want eenmaal berichten op internet terecht komen, gaan ze een eigen leven leiden. Eén foto manipuleren of één alinea weglaten kan al een heel ander beeld geven. Jongeren moeten dit weten.

 
Uiteraard is niet alles negatief. Recent onderzoek liet zien dat mediagebruik zowel positieve als negatieve effecten heeft. Jongeren doen door mediagebruik gespreksstof op en ontwikkelen via internet sterkere relaties. Ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om jongeren op een positieve manier met media te leren omgaan, een vorm van media-educatie. Onder media-educatie kan men verstaan dat ouders, opvoeders en leerkrachten moeten proberen om de positieve kanten van nieuwe media(zoals informatievoorziening en vermaak) te versterken en de negatieve kanten (verslaving, seks, kindermisbruik,…) te dempen. Daarvoor is het op de eerste plaats nodig dat ouders weten waarnaar hun kinderen én tieners kijken, met welke media ze bezig zijn, enz. Durven ouders nog samen met kinderen achter de computer kruipen? Volwassenen zijn vaak bang dat ze een mal figuur slaan omdat ze de nieuwe media niet kennen. Ook dat is een opdracht. Leren hoe de nieuwe media werken en gevaren leren onderkennen zonder bij het minste probleemje in paniek te slaan. Als je tegenwoordig op internet surft kom je bijna op elke pagina wel bloot tegen. Voor jongeren is dit normaal geworden. Volwassenen moeten dit leren relativeren.

Kinderen opvoeden is geen gemakkelijk proces. Ouders moeten leiding geven maar natuurlijk ook durven geleidelijk steeds meer los te laten. Zoals een kind pas leert fietsen als je het loslaat en als het zelf trapt, evenwicht bewaart en richting kiest, zo kan een ouder zijn kind ook op de digitale snelweg niet voortdurend vasthouden. Het kind moet zelf leren omgaan met de mogelijkheden maar ook met de mogelijke gevaren.” Toch is het aangewezen dat ouders in gesprek blijven met hun kinderen. Je moet ook bij oudere kinderen en tieners vragen stellen zoals : ‘Waar ben je mee bezig als je achter de computer zit? Hoe gaat dat precies? Mag ik eens meekijken hoe je dat doet?’ Je moet de vragen stellen zonder wat je te zien of te horen krijgt meteen af te keuren of te verbieden want dan gaan jongeren het beschouwen als bemoeienis of zeker niets meer vertellen over wat hen bezighoudt.
 

Het verdient aanbeveling dat scholen of organisaties ouderavonden organiseren waar ze leren omgaan met computer, met internet en met de programma’s waarmee jongeren werken om te zien hoe ze hun kinderen het best kunnen begeleiden. In een aantal scholen laat men de leerlingen les geven aan de ouders over hoe internet werkt, hoe Msn werkt, hoe chatten gebeurt, de veiligheid van wachtwoorden, enz. Maar ook thuis kunnen kinderen hun ouders informeren. Wanneer ouders daar onbevooroordeeld voor open staan, zijn jongeren ook bereid om de risico’s te leren inzien als ouders vinden dat er gevaarlijke dingen aan het gebeuren zijn.

1.2. Tweederde jongeren helpt ouders op internet

Een Nederlands onderzoek geeft aan dat ruim tweederde van de Nederlandse jongeren hun ouders helpt op internet. Een kwart van de jongeren geeft aan dat hun ouders dat niet nodig hebben. Dat blijkt uit het Youth Report, een enquête onder ruim 13.000 leden van online community Sugababes.nl /Superdudes.nl , in de leeftijd 13 t/m 24 jaar. De omgekeerde wereld die internet heet, waarin kinderen hun ouders wegwijs maken in plaats van andersom, is voor de jongeren een hele natuurlijke. Ze begrijpen dat ouders en leerkrachten hier niet altijd even goed in thuis zijn, en zijn dan ook niet te beroerd om hun rol als opvoeder ter hand te nemen. Joyce (14): "Ik help mijn moeder altijd met alles! Ze snapt sommige dingen niet echt goed, dus leg ik haar veel dingen uit."

Meer dan de helft van de jongeren internette wel eens samen met hun ouders. In iets meer dan de helft van die gevallen ging het om nuttige dingen als internetbankieren, 13 procent deed uitsluitend leuke dingen met zijn/haar ouders op internet. Gevraagd naar hoe zij hun eigen kinderen later op zouden voeden als het gaat om internetgebruik, kwamen ‘vrijheid’ en ‘privacy’ veel voor in de gegeven antwoorden. Kevin (16): "Mijn ouders geven me privacy, zo wil ik het ook doen met mijn kinderen, dat vind ik heel belangrijk. Ik zou ze wel vertellen dat als ze ergens mee zitten, ze er gewoon over moeten praten." Ook zouden veel jongeren hun kinderen leren voorzichtig te zijn met persoonlijke gegevens. Donna (13): "Net als mijn ouders zou ik zeggen: niet je adres en telefoonnummer op internet zetten, maar foto’s mogen wel. En niet de hele dag achter de pc zitten." ( http://www.nu.nl/ )


1.3. Hoe voorkomt men pesten. Het voorbeeld geven.

• Wie de leerkracht vraagt om zijn kind in de klas zeker niet naast Ellen, Bart of Hakim te zetten, geeft zijn kind het signaal dat uitsluiten mag.
• Hoe gaan we thuis om met elkaar (schelden, roepen, tieren)? Wie thuis weinig belangstelling krijgt, heeft grotere kans om treiteraar te worden. Ouders die zelf lijfstraffen uitdelen, lopen het risico dat hun kinderen vlugger geweld gebruiken.
• Bekijk kinderen als vol, praat met hen, geloof hen,vertrouw hen, geef ze verantwoordelijkheid. Dat geeft zelfvertrouwen en voorkomt frustraties en agressie.
• Leer kinderen thuis vaardigheden als opkomen voor zichzelf, hun gedacht zeggen, zich inleven in andere kinderen/volwassenen, omgaan met gevoelens als tegenslag
• Zorg voor een goede dialoog tussen ouders en school. Werk samen met de school een pestactieplan uit. De afspraken op school kunnen ook thuis gelden. (Bron :  www.klasse.be  )


1.4. Ouders, de school en cyberpesten

Op het internet is veel informatie te vinden over hoe je met pesten op school om kunt gaan (zie lijst met websites en de website www.cyberpesten.be ). Er is informatie voor slachtoffers van pesten, voor individuele ouders, voor individuele leerkrachten of voor school als geheel. Waar het daarbij altijd hoort te gaan en veelal gaat is hulp aan het slachtoffer en het vormgeven van beleid op school om pesten terug te dringen en vervolgens voor te zijn. Elk kind heeft recht op een veilige schoolomgeving. En wanneer er op school niet meer wordt gepest hebben leerlingen én leerkrachten daar baat bij. Een middel om het cyberpestenprobleem aan te pakken is het ter sprake brengen bij ouderavonden of in de ouderraad op school. Hoe kunt u het onderwerp 'pesten' ter sprake brengen in de ouderraad van uw school?
Als u zelf niet in de ouderraad zit, kunt u aan iemand die daar wel deel van uitmaakt, vragen om het aan de orde te stellen. U kunt ook voorstellen om zelf het punt toe te lichten.

Als u zelf deel uitmaakt van de ouderraad kunt u het onderwerp aankaarten in de rondvraag. Voordeel daarvan is dat het niet meteen een zware lading krijgt. Nadeel is dat aan het eind van de vergadering de meeste mensen niet zoveel aandacht meer kunnen opbrengen. U kunt het ook als afzonderlijk punt op de agenda laten opnemen, dan moet u tevoren overleg plegen met de voorzitter of de secretaris. Samen kunt u dan bekijken wat de handigste manier is om het onderwerp ter sprake te brengen.
Het is belangrijk om te bedenken wat u wilt bereiken met het aan de orde stellen van dit punt.

Is er een directe aanleiding die vraagt om actie, bijvoorbeeld een groepje kinderen dat andere kinderen pest? Vertel dan zo zakelijk mogelijk wat er volgens u aan de hand is. Geef aan dat er naar uw indruk spoedig iets moet worden ondernomen. Geef de andere ouders de kans om na te denken over mogelijke oplossingen, maar let er wel op dat er concrete afspraken worden gemaakt om actie te ondernemen.
Het kan ook zijn dat u vindt dat de school zich actiever moet bezighouden met het onderwerp pesten, zonder dat daar een directe aanleiding voor is.

Punten die u zou kunnen aangeven:
Pesten komt veel voor, vooral op scholen en waarschijnlijk ook op onze school.
Kinderen die gepest worden gaan bang naar school. De angst voor anderen blijft soms hun hele leven doorspelen.
Als school moet je ervoor zorgen dat kinderen zich veilig en prettig voelen. Daarom zou er een actief anti-pest-beleid moeten zijn.
Onze school is niet de enige die zich hiermee bezighoudt (verwijs hierbij naar scholen die een pestprotocol hanteren indien de school van uw kinderen dat nog niet heeft).
Je kan gebruik maken van materiaal en ideeën die er al zijn, bijvoorbeeld brochures laten zien of verwijzen naar websites. De website www.klasse.be heeft zowel voor ouders als voor leerkrachten een katern uitgebracht met informatie over cyberpesten..

Naar aanleiding van dit verhaal zal zeker een discussie ontstaan. Als je merkt dat je idee ondersteuning krijgt, probeer dan te komen tot een werkgroepje dat met voorstellen kan komen. Het kan een werkgroepje worden van ouders of een gemengde werkgroep waar ook leerkrachten inzitten.
Er zullen hoogstwaarschijnlijk opmerkingen komen over de ouders van pestende kinderen die hun kinderen niet goed opvoeden, over gepeste kinderen die meer van zich af moeten bijten en over het feit dat kinderen nu eenmaal graag pesten. Ga daar niet te veel op in, maar houd vast aan de stellingname dat de school verantwoordelijk is voor het bieden van veiligheid aan de kinderen. Er zullen zeker ouders zijn die u daarbij steunen.


1.5. Praten met de leerkracht

Pesten gebeurt veelal op school. Het is belangrijk om met de leerkracht te gaan praten als u merkt dat uw kind wordt gepest op school of als u zich zorgen maakt over de onveilige sfeer op school.
U doet er verstandig aan de leerkracht op te bellen of even langs te gaan om een afspraak te maken. Daardoor merkt de leerkracht dat u het belangrijk vindt om er over te praten. Zij of hij kan er dan echt de tijd voor nemen.
Vertel dat u zich zorgen maakt over hoe de kinderen met elkaar omgaan. Geef de leerkracht de gelegenheid om haar of zijn indruk te geven, maar laat u niet van uw punt afbrengen. Als u zich zorgen maakt, heeft u er recht op dat dit serieus wordt genomen.
Het heeft geen zin om de leerkracht te beschuldigen dat zij of hij het niet goed doet. Het is wel belangrijk om het gevoel over te brengen dat uw probleem ook het probleem van de leerkracht is. De beste uitkomst van het gesprek is als u en de leerkracht afspreken om beiden aandacht te zullen besteden aan het pestprobleem: de leerkracht op school en u thuis.


1.6. (Cyber)pesten ernstig nemen 

Pesten is geen eenvoudig probleem. Daarom lijkt het vaak onoplosbaar. Toch is pesten wel te bestrijden als het serieus wordt genomen.
Dat betekent dat kinderen moeten weten dat ze om hulp kunnen aankloppen bij de volwassenen om hen heen. Voor volwassenen betekent het, dat ze aandacht moeten hebben voor de signalen van de kinderen. Ze moeten luisteren naar wat de kinderen te vertellen hebben en daar over praten. Voor leerkrachten en begeleiders van groepen in de vrije tijd betekent het dat ze groepsgesprekken moeten voeren, regels moeten afspreken en zorgen dat die regels ook werken.
 
Het pestprobleem wordt lang niet altijd serieus aangepakt: ouders zeggen dat een kind maar van zich af moet bijten, leerkrachten hebben het te druk en de trainer vindt het zijn verantwoordelijkheid niet.
Als volwassenen alleen af en toe ingrijpen, kan dat verkeerd uitpakken. Gepeste kinderen worden daarna nog meer het slachtoffer omdat ze 'geklikt' hebben.
Daarom is het belangrijk om het pestprobleem degelijk aan te pakken. Daarbij zijn alle betrokkenen nodig. Ieder van hen kan een begin maken met het oplossen van het pestprobleem.

Kinderen die worden gepest kunnen beginnen door met hun ouders, leerkrachten of andere vertrouwde volwassenen te gaan praten. Ze kunnen ook om raad vragen, bijvoorbeeld bij de kindertelefoon.
Andere kinderen kunnen bij hun ouders of leerkrachten aankaarten dat er gepest wordt.
Ouders kunnen met hun kinderen gaan praten en het probleem met andere ouders, op school of in de speeltuin bespreken.

Leerkrachten kunnen het pesten als algemeen probleem regelmatig in hun klas bespreken. Ze kunnen proberen in de klas een open en vriendelijke sfeer te creëren. Concrete pestsituaties kunnen ze met de betrokken kinderen bepraten. Samen met hun collega's kunnen ze werken aan een schoolbeleid rond sociale regels en pesten.
De directie van een school of buurthuis, het bestuur, de ouderraad of de medezeggenschapsraad kunnen de manier van omgaan bespreken en toewerken naar een beleid daarover.

Begeleiders van groepen, trainers en anderen die te maken hebben met kinderen buiten schooltijd, kunnen het pesten met de kinderen bespreken. Ze kunnen proberen de samenwerking tussen de kinderen bevorderen.
Anderen, zoals de wijkagent of de schoolarts, kunnen sociale problemen tussen kinderen die zij hebben geconstateerd aan de orde stellen in hun contacten met scholen en buurthuizen. Ook kunnen zij door hun bijzondere positie soms net een andere invloed uitoefenen op de kinderen dan leerkrachten en begeleiders.
(Bron : http://lessen.cyberstar.nl/ )


1.7. (Cyber)pesten en de media

De media (kranten, tijdschriften, televisie, film,…) kunnen een positieve rol spelen in het verhelpen en sensibiliseren rond (cyber)pesten. Elders schreven we dat pestspelletjes zoals Bully (of de Belgische naam Canis Canem Edit) pesten in de hand werken door pestgedrag als normaal en populair voor te stellen, ook al is de pestkop in het betrokken spel niet zo’n negatief iemand als het spel aanvankelijk liet uitschijnen. Berichten over de zin of onzin van deze computerspelen, maar ook het in de media brengen van pestverhalen en het wijzen op de dramatische gevolgen voor daders en de omgeving maar ook de sancties die volgen voor de daders als het ontspoort, zijn positieve signalen om pestgedrag onder jongeren te bestrijden. Het is dan ook toe te juichen dat de VRT in het Eén-programma ‘Thuis’ pesten onder jongeren expliciet onder de aandacht brengt. Los van de vraag in hoeverre pestkoppen en gepeste jongeren naar deze soap kijken, is het onder de aandacht brengen op zich een goede zaak om preventief op te treden, maar ook om slachtoffers aan te sporen melding te maken van het probleem aan ouders, leerkrachten of vertrouwenspersonen. Heel wat pestgedrag blijft immers verborgen.
Het is niet de eerste keer dat Thuis inspiratie haalt uit een maatschappelijk probleem. Vorig seizoen raakte Sophie, gespeeld door Lien Van de Kelder, verslaafd aan drugs. Niet iedereen is het eens over deze aanpak, al willen de betrokkenen vooral de discussie tussen ouders en kinderen voor de buis een duwtje geven. Deze keer over steaming, ofwel jongeren die elkaar geld afpersen onder druk van geweld. Het schoolmagazine Klasse hielp de scenaristen met de research.
 
In de serie ‘Thuis’ is Kasper, de mysterieuze pleegzoon van Waldek slachtoffer van pestkop Kevin. Waldek kreeg een bijzondere band met Kasper omdat hij van Tsjetsjenië afkomstig is, waar zijn ouders gedood werden. Omdat hij zich sedert enige tijd zo eigenaardig gedraagt, denken Waldek en Rosa eerst dat het Tsjetsjeense trauma opnieuw de kop opsteekt, want hij heeft er mensen zien doodschieten. Maar dat hij liegt en steelt is typisch voor een slachtoffer van steaming want die moet geld bijeenkrijgen voor zijn afpersers. Steaming begint vrij onschuldig, eerst met wat verbale agressie. Maar het gaat dan van kwaad naar erger. Kasper komt thuis met een blauw oog, zijn brooddoos wordt hem afgepakt, de laatste dagen wordt hij afgeperst : hij moet met honderd euro op de proppen komen, anders dreigen Kevin en zijn kompanen zijn paard, dat hij zo graag heeft, iets aan te doen.

2. Aanpak van pesten op school

2.1. Getuigenis

Katrien werd vorig jaar het slachtoffer van zware pesterijen in de klas. Op het hoogtepunt durfde ze twee weken lang niet meer naar school, nu gaat het weer beter met haar.
Het stinkt hier. Zullen we niet wat verderop gaan.'' Dat zeiden Katriens (13) klasgenoten als ze bij hun groepje kwam staan. Na de lessen lichamelijke opvoeding moest Katrien haar natte boekentas uit de douches vissen. En bij het omkleden had ze heel de kleedkamer voor haar alleen, want de anderen waren al vertrokken zonder haar. ,,Aan het begin van dit schooljaar is het begonnen'', zegt Katrien. ,,Ik denk dat mijn klasgenoten mij als slachtoffer hebben gekozen omdat ik meestal niks durf terug te zeggen. Ik ben nogal stil.'' Het treiteren ging van kwaad naar erger. Katrien zat in een klas van 20 leerlingen, waaronder een paar echte pestkoppen. ,,Maar op een bepaald moment kozen ze allemaal partij voor de pestkoppen, waardoor het voor mij nog moeilijker werd.'' De bom barstte toen Katriens beste vriendin opeens ook aan de kant van de pesters stond. ,,Mijn vriendin had een los velletje aan haar vinger dat bloedde. Ze kwam met opgeheven vinger naar me toe, om met opzet bloedvlekken te maken op mijn broek.'' Huilend ging Katrien naar huis, maar haar moeder vertellen wat er aan de hand was, wilde ze niet. Na veel vragen van haar mama deed ze een paar dagen later toch haar verhaal. Haar moeder was er het hart van in: zij was zelf altijd gepest, en wist dus precies wat haar dochter doormaakte. ,,Mijn moeder heeft meteen gezegd dat we een oplossing zouden vinden. Ze stelde voor om van school te veranderen, maar dat wilde ik eigenlijk niet. Op deze school kende ik alles, ergens anders zou ik helemaal opnieuw moeten beginnen.'' Katrien zag het allemaal niet meer zitten. ,,Ik ging naar de dokter en die schreef me pilletjes tegen een depressie voor. Maar ik bleef weigeren nog naar de klas terug te keren.'' Intussen trok Katriens moeder aan de alarmbel. Ze lichtte de school in en samen besloten ze de pesters apart te laten spreken met Katrien. ,,Op een avond zijn vier van mijn klasgenoten naar ons thuis gekomen. Eerst wilde ik niet naar de voordeur, omdat ik bang was dat ze weer vervelend zouden doen. Maar daarna hebben mijn mama en ik gezegd dat we het niet leuk vonden zoals ze mij behandelden.'' Toen Katrien daarna weer naar de klas ging, verliep alles een stuk vlotter. ,,Mijn beste vriendin is gewoon weer mijn beste vriendin. Ook de pesters zijn er grotendeels mee opgehouden. Als we een groepswerk moeten doen, vragen ze soms of ik bij hen kom zitten. Ze zullen nooit mijn beste vrienden worden, maar we kunnen tenminste weer samen in de klas zitten.'' (Het Nieuwsblad 20/02/2006)

2.2. Pesten is vooral een schoolaangelegenheid

Pesten komt het meeste voor in de schoolomgeving. In het bovenstaande voorbeeld gebeurde het pesten op school. Bij cyberpesten wordt het kind thuis online gepest , maar dan nog vertrekt het pestgedrag meestal vanuit de medeleerlingengroep van de schoolsituatie. Kinderen brengen immers de meeste van tijd door op de schoolbanken en vriendschapsrelaties ontstaan bij kinderen en jongeren bijna altijd vanuit de schoolsituatie. Daardoor werkt het het beste als de school het pestprobleem detecteert en er iets aan doet. Maar scholen voelen zich niet altijd verantwoordelijk voor wat er buiten de schoolmuren gebeurt. Omdat cyberpesten zich meestal in een virtuele wereld gebeurt, distantiëren nogal wat scholen zich van het gebeuren. Men verbiedt dat GSM op school opstaat en sommige scholen blokkeren de toegang tot chat of MSN en menen dat daarmee de verantwoordelijkheid van de school eindigt.

Uit een studie bij 15-jarigen van het onderwijstijdschrift Caleidoscoop blijkt er bij vele leerlingen een soort pestmoeheid opgetreden is. 17 procent van de leerlingen in de makkelijke klassen vindt het niet erg dat er gepest wordt. (De Standaard 08/02/2006) In de moeilijke klassen staat zelfs 23 procent neutraal tegenover pesten. Caleidoscoop is het tijdschrift van de koepel van vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) ( www.caleidoscoop.be ). Hoofdredactrice Linda Graindourze koppelt aan het onderzoek een waarschuwing voor de scholen en stelt dat veel leraars de inspanningen tegen pesten op school beu lijken te zijn. Nochtans bewijzen volgens haar deze gegevens dat blijvende aandacht nodig is. Ook de andere reacties tonen niet bij iedereen verontwaardiging. Iemand uitlachen of iemand tegen zijn zin iets laten doen, is blijkbaar bij het leven van alledag beginnen horen. Leerlingen ervaren het als gewoon. In de moeilijke klassen zijn er enkelen die het uitlachen uitdrukkelijk toejuichen (6,5 procent). Eén op de vijf leerlingen staat er neutraal tegenover.

In moeilijke klassen ligt één op de vier leerlingen er niet van wakker. Op de vraag of het goed is dat iemand bij pestgedrag durft tussenbeide te komen, antwoordt één op de vijf leerlingen neutraal. In de gemakkelijke klassen daalt dat aandeel tot 13 procent. Meer dan één op de drie leerlingen blijft onverschillig wanneer een leerling een ander dwingt om iets te doen wat die niet leuk vindt. In de gemakkelijke klassen zijn dat ook nog een kwart van de leerlingen. Volgens Graindourze moeten scholen ervoor zorgen dat ze niet te lichtzinnig met het fenomeen pesten omspringen. Uit de cijfers blijkt dat zowel in moeilijke als in makkelijke klassen pestgedrag niet zomaar afgekeurd wordt. Leerkrachten gaan er dus best niet vanuit dat het vanzelfsprekend is dat iedereen tegen pesten is. Het onderzoek doorprikt wel de stelling dat in een klas die de boel op stelten zet, de leerlingen zich amuseren. Opvallend is dat de zogenaamde macho’s, de leidersfiguren die de toon aangeven, niet zo gelukkig zijn als men zou denken. Ze hebben een minder goede relatie met de leerkrachten, zetten zich minder in voor hun taken en in de moeilijke klassen voelen ze zich het minst goed op school. (HBvL 8/02/2006)

2.3.Impact van internet en email op schoolse leven „Huiswerk lijdt onder internet”

Internet en andere digitale media hebben een enorme impact gekregen op het schoolgebeuren. Niet alleen is er het probleem van het cyberpesten. Het hele schoolse leren staat onder invloed van wat er zich op de digitale snelweg afspeelt. Een onderzoek bij 1107 Nederlandse leerkrachten geeft aan dat bijna alle leerkrachten van basis- en middelbare scholen zich zorgen maken over de risico’s die leerlingen lopen tijdens het gebruik van internet. Leerlingen zelf geven aan dat vooral hun huiswerk lijdt onder hun internetgedrag. Het midden december 2005 in Nederland gepresenteerde onderzoek onder zowel leerlingen als leerkrachten van basis- en middelbare scholen over het internetgedrag maakte alvast één ding duidelijk: het wereldwijde web wordt niet langer onbekommerd in de armen gesloten. Meer gesprekken over online fatsoen, een betere opleiding van leraren en meer voorlichting aan ouders zijn de meest genoemde wensen voor een veiliger internet. Scholen staan zeker niet negatief tegenover internet. Integendeel : praktisch alle scholen moedigen het aan. Twee op de drie scholen stimuleerden het gebruik van internet. Bijna alle scholen hadden inmiddels ook toegang tot internet. In de hoogste jaren de Nederlandse basisschool hadden de meeste leerkrachten zelfs toegang tot internet in hun eigen klaslokaal (84 %). Meer dan de helft van de scholen had een eigen internetprotocol.

De meest voorkomende gedragsregels waren onder meer een verbod op het bezoek van pornografische websites en grof taalgebruik. Minder dan de helft van de scholen had een of meerdere filters geïnstalleerd. De meest gebruikte filter was die op pornografische afbeeldingen. Relatief veel middelbare scholen hadden filters op chatboxen en msn maar niet altijd om pedagogische redenen. Vaak blokkeren scholen ook die programma’s omdat ze het netwerk enorm belasten. Vrijwel alle leerkrachten gaven aan dat ze kinderen tijdens de les wel eens informatie laten zoeken op internet. Op de basisschool gebeurde dit meer dan in het middelbaar onderwijs.

Er werd in de klas weinig gesproken over wat kinderen allemaal doen op internet: slechts een kwart van de leerkrachten zei dit vaak te doen. Ondanks de populariteit van internet was voorlichting over (on)veiligheid geen structureel onderdeel van de lesprogramma’s. Bijna alle docenten vonden dan ook dat hun school extra maatregelen moest nemen om de internetveiligheid van leerlingen te verbeteren. Vrijwel alle docenten vonden de voorlichting overigens primair een taak voor de ouders. Leerkrachten maakten zich met name zorgen over internetrisico’s als seksuele intimidatie en digitaal pesten. Ook de risico’s van seksuele intimidatie baarden met name leerkrachten van middelbare scholen veel zorgen (79 %). Bijna de helft van docenten van basisscholen was er ongerust over dat leerlingen websites met pornografische afbeeldingen bezoeken. Vooral middelbare scholieren maakten ook stiekem gebruik van internet: twee op de drie leerlingen zei wel eens tegen de regels in spelletjes te spelen, te msn’en of te mailen op school.
 

Gevraagd naar het meest vervelende aspect van internetgebruik gaven leerlingen aan dat ze vanwege internetten minder tijd hebben voor het maken van huiswerk. Een kwart van de middelbare scholieren maakte dit zelfs vaak mee. In totaal gaf 87 % van de leerlingen aan op internet regelmatig vervelende dingen te beleven, zoals misbruik van wachtwoorden. De meeste van de 1107 ondervraagde leerkrachten vonden van zichzelf dat ze genoeg kennis hebben over internet om hun leerlingen optimaal te begeleiden. Bijna de helft van de middelbare scholieren had nochtans het idee dat hun leerkracht niet weet wat zij allemaal op internet doen. Vrijwel alle leerkrachten maakten vaak gebruik van internet om te mailen of om informatie te zoeken. Zowel leerlingen van de basisschool als middelbare scholieren gebruikten internet vooral voor gamen, surfen, msn’en en e-mailen. Msn’en was veruit de meest gebruikte internettoepassing onder leerlingen: 84 % van de middelbare scholieren en 63 procent van de basisscholieren gaf aan dit vaak te doen. (Reformatorisch Dagblad 14/12/2005)

2.4. Scholen zijn meer betrokken dan ze denken.

Scholen stimuleren leerlingen om internet te gebruiken en zelfs msn of digitaal uitwisselen van informatie via digitale leeromgevingen wordt aangemoedigd. Maar wanneer het gaat om misbruik van internet bijvoorbeeld bij cyberpesten zijn er een aantal scholen die zich terug trekken of aangeven dat deze zaken wanneer ze buiten de school gebeuren niet tot de verantwoordelijkheid van de school behoren.

In de VS was er een casus waarbij een meisje van 13 jaar herhaaldelijk via email gepest werd. “Je kent mij niet, maar ik zie en volg jou overal. Bij jou thuis, op school, in de winkel, op straat, je kunt je nergens meer veilig voelen…slaap met je ogen open, want op een dag zal ik je aanvallen en dan ben je dood.” Het meisje kreeg zo herhaaldelijke dreig-emails en lichtte ten einde raad haar ouders in. Die schakelden de lokale politie in, maar slaagden er niet om de afzender van de emails te traceren. Na maanden terreur, waarbij het meisje herhaaldelijke keren ziek thuis bleef ontdekte men de afzenders. Het bleken vier van haar klasgenoten. Ze hadden zichzelf verraden omdat ze haal mailden dat ze beter dood zou gaan dan ziek zijn. Zo konden de speurders achterhalen dat het ging om medeklasgenoten, want niemand anders wist dat het meisje thuis was. De ouders klaagden de school aan omdat ze vonden dat deze verantwoordelijk was voor al het leed, maar de school distantieerde zich van het volledige gebeuren omdat er geen enkele mail van school uit werd verstuurd. De vier betrokken jongens hadden alle mails van thuis of vanuit een openbare bibliotheek verzonden. De school zelf had alle maatregelen genomen om haar netwerk te beveiligen zodat het pesten niet van daaruit kon gebeuren en had ook enkele lessen aan pesten gewijd. Het kwam tot een proces, maar de ouders verloren dit omdat de school geen verantwoordelijkheid in het hele gebeuren droeg.

In een ander voorbeeld onderging David Knight een gelijkaardige nachtmerrie. Hij werd al lang gepest en geplaagd en na een tijdje werd het offline pesten gevolgd door online pesten. David vertelde zelf aan CBC National News dat hij het veel erger vond om via internet gepest te worden dan dat het gewoon op school gebeurde. Studenten van zijn school hadden een website opgezet die overladen was met spotfoto’s, vernederingen, beledigingen, enz. Dit was erger dan even voor spot staan in een cafetaria voor 30 medeleerlingen, nu stond hij voor spot bij miljoenen internetgebruikers. Ook hier spanden de ouders een proces in tegen de websiteprovider en de school. Het duurde zes maanden vooraleer de website uit de ether werd gehaald en ook deze school had geweigerd om haar verantwoordelijkheid te nemen omdat ze vonden dat dit zich louter en alleen afspeelde in het privé-leven van de student en ze daar niet voor konden sanctioneren in de school zelf.
(Shariff, 2004)

De meeste spraakmakende rechtszaken hebben tot nu toe alleen plaatsgevonden in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De zaken richtten zich vooral op de rol van scholen in pesterijen. Een Amerikaanse rechter veroordeelde een school tot het betalen van een miljoen dollar smartengeld. Een Engelse school moest ongeveer een ton betalen aan een kind dat voortdurend door klasgenoten werd gepest. In Nederland was er in 2001 een rechtszaak tegen de scholengemeenschap Het Baken in Almere De dochter (20) en zoon (18) van mevr Van Tilborg, allebei ex-leerlingen van deze school, waren jarenlang gepest. Ook al drong Van Tilborg regelmatig aan op maatregelen, het pesten ging gewoon door. Pas nadat haar zoon was overgestapt naar een school in Bussum hield het pesten op. 'Maar nu nog steeds worden we met de gevolgen geconfronteerd. Pesten is bepalend voor je lot.'  De school in Almere ontkende dat er een probleem was.

Deze voorbeelden illustreren de muur van verdediging die slachtoffers ervaren wanneer ze op school een cyberpestprobleem signaleren. Shariff (2004) noteert dat bij de gevoerde processen in de VS scholen steeds met een defensieve houding naar buiten traden wanneer slachtoffers hun hulp zochten. Scholen gaven aan dat ze juridisch niets konden doen tegen het probleem en dat er op school zelf nooit problemen vastgesteld konden worden en de betrokken daders zich daar voorbeeldig gedroegen. Ouders van slachtoffers getuigden verder dat wanneer men leerkrachten of administratieve medewerkers om hulp vroeg, deze dikwijls aangaven dat het slachtoffer het pestgedrag zelf uitgelokt had, het probleem buiten alle proporties werd opgeblazen door de ouders en het slachtoffer en men het moest leren relativeren en dat de school geschreven een geschreven anti-pestbeleid had voor pesten op school zelf. Nader onderzoek toonde aan dat de Amerikaanse scholen vaak amper op de hoogte waren van hun precieze verantwoordelijkheid wanneer er ernstige pestgedrag plaatsvond. Ze hadden kasten vol met educatief materiaal om preventief met pesten om te gaan, maar hadden geen strategieën waarin was genoteerd welke stappen precies konden gezet worden als pestgedrag zich voordeed en zeker wanneer dit buiten de schoolmuren gebeurde.

Gepest meisje krijgt forse schadevergoeding. ,,Ik kon niet door de gang gaan zonder een gemene opmerking te moeten slikken of een duw te krijgen." Vanaf haar vierde levensjaar werd de nu 23-jarige Sophie Amor geplaagd omwille van haar gewicht, bespuwd en aangevallen. Na twaalf jaar procederen heeft ze een schadevergoeding van 20.000 pond gekregen omdat ze als kind jarenlang fysiek en geestelijk werd gepest op school. Panische angstaanvallen en zweetbuien waren dagelijks mijn deel", zegt Sophie Amor.
,,Na verloop van tijd sloot ik me helemaal af. Ik kon een knop omdraaien waardoor ik in mijn eigen wereldje kon schuilen voor de ondraaglijke realiteit rondom mij. Het was de enige manier om het vol te houden tot aan de verlossende schoolbel." Sophie was amper negen toen ze probeerde zelfmoord te plegen door een overdosis pillen in te nemen tegen epilepsie. Op haar veertiende werd ze officieel als depressief bestempeld en weggehaald uit het gewone schoolsysteem. ,,Ik zou wat ik heb geen leven durven noemen", zei ze. ,,Ik besta.
Ik kom niet uit mijn huis uit vrees de pestkoppen tegen het lijf te lopen. Ik haat mezelf om wie ik ben maar ik kan er tegelijk niks aan veranderen." Sophies moeder Isabel (55) onderhield regelmatige contacten met de schooldirectie maar zegt dat ze geïntimideerd werd door de situatie. ,,Sophie is intelligent, maar in plaats van goede resultaten te behalen op school was ze doodsbang om er in de buurt te komen." Langzaam gleed het kind helemaal weg in zichzelf. Nu, twaalf jaar later, heeft Sophie Amor 20.000 pond (ongeveer 12.000 euro) gekregen van de gemeente Torfaen, de inrichtende macht van het schooltje.
De gemeente geeft toe dat haar verzekeraar een minnelijke schikking heeft getroffen, maar ontkent de aansprakelijkheid voor het pestgedrag. ,,Alle scholen in Torfaen hebben stevige antipestplannen met duidelijke richtlijnen." De Britse vereniging van gemeenten ziet een gevaarlijk precedent in de regeling. ,,Het is nogal duidelijk dat honderden andere mensen die vinden dat ze gepest werden, hun kans ruiken om ook een schadevergoeding te bekomen. Maar de belangrijkste les die we hieruit leren is dat pesten ernstig moet worden genomen door scholen, bedrijven, lokale besturen en de hele maatschappij. We mogen het niet minimaliseren." (Geert Neyt in De Standaard 22/02/2006)

Voor Vlaanderen en Nederland zijn er tot op heden geen juridische precedenten naar jongeren inzake pestgedrag. In Canada was er een juridische kwestie naar aanleiding van de zelfmoord van tiener Dawn Marie Wesley. Dawn hing zichzelf op na een lange periode van gepest worden. De directe aanleiding was een bedreigende telefoon via GSM. Haar klasgenote die de fatale telefoon deed, getuigde dat ze niet de intentie had om Dwan te kwetsen toen ze haar toeschreeuwde ‘You’re fucking dead!’. De lokale rechtbank Britisch Columbia Supreme Court creëerde een precedent door te bepalen dat verbale vernederingen en beledigingen onder het Canadese strafrecht vallen indien het slachtoffer zich effectief door de verbale boodschap bedreigd voelt en er daardoor slachtoffers vallen. Het meisjes was minderjarig, maar ouder dan 16 zodat ze een voor haar leeftijd aangepaste veroordeling opliep door de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat haar verbaal gedrag mede oorzaak was voor de dood van het slachtoffer.
 

In België zijn er geen gelijkaardige gevallen bij jongeren bekend, maar is er wel het verhaal van de postbode David van Geysel die in 2000 zelfmoord pleegde. In een afscheidsbrief stelde hij dat het gepest van zijn collega's niet meer aankon en dat hij geen gehoor vond bij zijn superieuren. Van Gysel moest stelselmatig de zwaarste rondes rijden en werd voortdurend op de huid gezeten door zijn collega's. Later bleek dat zijn klachten niet op de juiste bureaus terechtkwamen. De ouders van de jongen dienden klacht in tegen de postmeester, diens adjunct en vier postbodes. Ondanks gesus van de postdirectie bevestigt in juni 2001 het Brusselse parket dat de jongeman wel degelijk op zijn werk gepest werd en dat hem dat tot zijn wanhoopsdaad kan hebben gedreven.
Op 14 januari 2002 worden zes collega's van de jongeman én De Post zelf door de Brusselse onderzoeksrechter Bruno Bulthé in verdenking gesteld voor stalking en het niet verlenen van hulp aan een persoon in nood. Op 20 januari 2004 krijgen de vijf na een lange juridische procedureslag een zwaardere straf dan het Openbaar Ministerie heeft geëist: vier krijgen 22 maanden voorwaardelijk, de vijfde 18. Volgens Jef Vermassen, raadsman van de ouders, betekent het vonnis een scharnierpunt in de rechtspraak: "Het is de eerste maal dat in een dergelijke zaak een uitspraak komt en het vonnis kan een grote steun zijn voor wie gepest wordt." De Post zelf wordt veroordeeld tot de gevorderde boete van 240.000 euro.

Voor kinderen en tieners is er geen gelijkaardig feit bekend. Wanneer jongeren zelfmoord plegen, ook al worden ze gepest wordt daar meestal niets verder mee gedaan. Het is immers moeilijk te achterhalen of het pesten de enige aanleiding was en hoe erg het pesten ingewerkt heeft. De band tussen het pesten en de zelfmoord moet specifiek aangeduid worden en dit is dikwijls een onmogelijke opdracht. Verder worden jongeren door het huidige (Belgische) tolerante jeugdsanctierecht zelden tot nooit veroordeeld, zelfs niet bij zwaardere misdrijven. Scholen werden ook in België en Nederland nooit rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor pestgedrag onder leerlingen en het niet ingrijpen daarbij.

Ook in de VS waar er veel meer onderzoek hierrond is gebeurd, is het niet altijd duidelijk hoe rechtbanken op pestgedrag van jongeren reageren. In één case, de Rudd v Pulaski Country Special School, werd deze niet veroordeeld om dat het hof oordeelde dat de school niet de plicht heeft om continu en onder alle omstandigheden leerlingen tegen elk misbruik en pestgedrag te beschermen.
Anderzijds noteerde Shariff (2004) dat de Amerikaanse rechtbanken wel degelijk rekening houden met de houding die scholen en leerkrachten aannamen in elke situatie van zelfmoord na psychologische terreur. Er werd grondig nagepluisd of de scholen niet nalatig waren geweest en gepast hadden gereageerd op gesignaleerd pestgedrag of er een schoolbeleid rond pesten bestond, enz. Maar tot een veroordeling van een school was het nog nooit gekomen.

2.5. Pestprotocollen, pestcontracten.

Bijna elke zichzelf en de leerlingen respecterende school heeft wel iets op papier gezet om het pesten tegen te gaan. Ook de Hengelose scholengemeenschap De Grundel, die nu door de ouders van leerlinge Joyce Poort dreigt te worden aangeklaagd. Joyce zit al bijna drie jaar thuis. Eerst werd ze ziek gepest door klasgenoten, daarna raakte ze verdwaald in het hulpverleningscircuit. Toen Joyce door klasgenoten gepest werd, heeft de school naar eigen zeggen onmiddellijk pestcontracten opgesteld en de pesters aangesproken. In zo'n contract wordt beloofd elkaar met rust te laten. Maar helpt zo'n instrument ook? Nee, zegt drs. Bob van der Meer. De oud-leraar lichamelijke oefening uit den Bosch is psycholoog bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Hij schreef verschillende methodes, programma's en boeken over pesten, waaronder School en geweld; oorzaak en gevolg. Ook is hij nauw betrokken bij de website www.pesten.net, die in het vijfjarig bestaan al meer dan vijf miljoen bezoekers gehad. Van der Meer constateert dat pesten op veel scholen onvoldoende wordt aangepakt. ,,Hoe gaat het vaak?

Ouders klagen dat hun kind wordt gepest. De school komt met een pestproject, een interventieprogramma of een pestcontract, en gaat daarna weer over tot de orde van de dag. Na verloop van tijd melden ouders zich weer, want hun kind heeft nog steeds last van nachtmerries. Wat zegt de school dan? Mevrouw en meneer, we kunnen niet de hele dag met pesten bezig zijn.'' Volgens Van der Meer blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat zo'n ad hoc-aanpak niet werkt. Een mentor moet structureel, dus wekelijks, bezig zijn met normen en waarden in de klas. Vanaf dag één. ,,Hij stelt samen met de leerlingen de regels op waaraan iedereen zich moet houden. Hij spreekt met hen af wat de sancties zijn bij overtreding. De norm is dat je bepaald gedrag niet tolereert, de waarde is veiligheid. De regels stop je in een envelop, iedereen bewaart het in zijn agenda en je komt er elke week op terug.'' Van der Meer heeft een lespakket ontwikkeld dat werkt, zegt hij zelf. Een pilotproject in Rotterdam heeft dat bewezen. Elke week werden in de eerste vijf minuten van de les de gezamenlijk opgestelde regels besproken. ,,De leerlingen kwamen zelf met concrete voorbeelden over roddelen of intimidatie. Je klikt immers niet, als je erover praat. Problemen worden op die manier meteen bespreekbaar. En oplosbaar.''

Zonder zo'n aanpak zal het aantal (aan)klachten van ouders alleen maar toenemen. In 1992 dreigde een vader van een school in Noord-Nederland al met een rechtszaak als de school niets zou doen tegen het pesten van zijn zoon. Eerder dit jaar trof scholengemeenschap Het Baken in Almere een schikking met klagende ouders. Onlangs maande de rechter een school in Amerongen tot een antipestbeleid. En nu stelt de vader van het gepest meisje uit Hengelo de scholengemeenschap De Grundel aansprakelijk voor de geleden schade. Nieuwe claims zijn onvermijdelijk, vreest Van der Meer. (Nederlands Dagblad 04/11/2003)

Tot voor enkele jaren was het pestprobleem in vele scholen onbesproken. Er werden natuurlijk mensen gepest op school, maar daar zweeg men liever over. De jongste jaren is er veel onderzoek naar verricht, er werd veel over geschreven en er kwamen actieprogramma's. Maar daarmee is de zaak niet opgelost. Integendeel, even een lesuur praten over pesten op school lost meestal niet op. Pesterijen kunnen vaak heel ver gaan en het kan lang duren voor er een oplossing in zicht is.

2.6. Leerkrachten treden niet altijd op.

Dan is de vraag : wat kunnen scholen eraan doen? Merken de leraars niets? Valt het niet op dat een kind in de klas uitgesloten of gepest wordt? De leraars merken uiteraard pesterijen op. Negentig procent van hen werd geconfronteerd met leerlingen die elkaar pesten. Slechts tien procent zag geen of minder pesterijen op school. 45 % signaleerde een (sterke) stijging tijdens de voorbije vijf jaar. De meeste pestkoppen zaten in de eerste graad secundair onderwijs en in de hoogste jaren lager onderwijs. Toch werd ook één kleuterleider op drie de jongste jaren (veel) meer geconfronteerd met pestende kleuters. (Klasse, juni 1997 ). Het blijft dan de vraag of de leraar ook ingrijpt. Soms vrezen leraars dat ze de zaak alleen maar gaan verergeren. Dat doen ze in ieder geval als ze zwijgen, niet ingrijpen of erger nog gewoon meelachen met de pestkoppen. Vaak hoor je uitdrukkingen zoals : het slachtoffer heeft het ook een b